maandag 9 maart 2026

 Jan Torenstra, een echte wethouderssocialist. Een halve eeuw politieke herinneringen, aflevering 28.

Op 15 maart wordt het boek gepresenteerd over het Delftse PvdA-kopstuk Jan Torenstra. Zijn Amsterdamse GroenLinkse geestverwant Dick Jansen - net als Jan actief in het netwerk MENSenSTRAAT) tekende zijn levensverhaal op onder de titel Van kistensjouwer tot wethouder. Het verhaal van Jan Torenstra, een Delftse lefgozer.


Het is in zekere zin een klassiek verheffingsverhaal, zoals de ondertitel ook aangeeft. Van ongeschoolde arbeiders, buurtactivist en vakbondsman werd Jan uiteindelijk raadslid in Delft (1986-1998) en wethouder (1998-2006). In die periode leerde ik hem als gemeenteraadslid van 1994 tot 2008 kennen. Jan stelt in het boek dat een politicus zowel volksvertegenwoordiger, bestuurder als partij-activist moet zijn. Dat drie rollen speelde Jan met verve, waarbij hij intuïtie (ontzettend belangrijk in het politieke bedrijf) combineerde met het grote strategisch inzicht van een politieke schaker. Zijn credo: "...structureel verbeteringen realiseren betekent dat je naast betrokkenheid tonen, je verdiept in een probleem, je breed oriënteert op de context, vooraf een goede analyse pleegt van kansen en bedreigingen, en van mede- en tegenstanders om een effectieve strategie op blijvende verandering te kunnen ontwikkelen."

De ernstige visuele handicap van Torenstra, die leidde tot afkeuring voor het werk op de Westlandse veiling), bleek in het politieke handwerk ook een voordeel te kunnen zijn. Torenstra kon op basis van een samenvatting van een beleidsnota precies uitleggen wat de kern ervan was en hoe je er tegenover moets staan:   “Ik kan natuurlijk niet van papier lezen als ik iets moet zeggen voor een groep. Dus dat gaat altijd uit de losse pols, maar ik heb al vroeg geleerd om dat in vijf stappen te doen: waar gaat het over, wat zou er moeten gebeuren, wat vind ik daar van, wat kan ik zelf doen, en wat ga ik doen.” Het is een citaat dat elk beginnend raadslid uit zijn hoofd zou moeten kennen, het is een basisvaardigheid die veel raadsleden niet of onvoldoende beheersen.

Het inzicht van Torenstra bleek bij de Delftse collegevorming van 1998, waarbij de PvdA het voortouw had. Torenstra was altijd voorstander van linkse samenwerking en een progressief college. Een coalitie met CDA en/of VVD had niet de voorkeur en bleek ook moeilijk. Torenstra had een troef achter de hand: de twee raadszetels van studentenpartij STIP, die de progressieve coalitie van PvdA, GroenLinks en D66 aan een nipte meerderheid kon helpen. Met dit konijn uit de hoge hoed had Torenstra de gehele rechterzijde van de raad buitenspel gezet, niemand had deze geniale zet zien aankomen.

Het college dat aan de macht kwam maakte als een sterk team werk van de autoluwe binnenstad en voor een doordachte wijkaanpak. Onder voorzitterschap van burgemeester Hein van Oorschot, een krachtdadig bestuurder, was Torenstra de nestor van dat college. Ik herinner me dat hij zijn aantreden tegen zijn ambtenaren zei: "Ik wil niet weten waarom iets niet kan, maar hoe het wel kan". Het tekende de dynamiek van dat college, met de jongere honden en echte beleidsmakers Rik Grashoff van GroenLinks en Dick Rensen van de PvdA (ook wel bekend als de doe-het-zelfwethouders), de relaxte D66-er Meine Oosten en de jonge STIP-wethouder Astrid Janssen (later wethouder voor GroenLinks in Amersfoort). In de agenda van Torenstra werd de maandag altijd vrijgehouden voor een werkbezoek en bij officiëlere bijeenkomsten zorgden de ondersteunende ambtenaren voor zijn jasje-dasje.

De Delftse raad in 1998. Ik sta vooraan met het blauwe overhemd. Jan Torenstra staat schuin achter me met zijn onmiskenbare witte haardoos.

Torenstra kon in het politieke bedrijf ook een echte straatvechter zijn. Ik herinner me naast de vele verbale en komische aanvaringen met Aad Bonthuis van Stadsbelangen (voormalig PvdA-kopstuk) bijvoorbeeld een stevig stuk powerplay in mijn richting over veranderingen in de kinderopvang. Torenstra maakte achter de schermen duidelijk op dat punt geen oppositie binnen de coalitie te dulden. Een van de redenen waarom dit college met een meerderheid van één stem vier jaar zonder kleerscheuren doorkwam was dat verschillen van inzicht op tijd gesignaleerd en besproken werden. Dat kon tot verschillende uitkomsten leiden, maar één regel stond vast: elkaar verrassen was not done.

Het is mooi dat dit verhaal over Jan Torenstra en zijn manier van werken verschenen is. Het is een verhaal va het wethouderssocialisme dat de sociaal-democratie in Nederland groot heeft gemaakt. Het is helaas steeds zeldzamer geworden en dat is een van de oorzaken van de tragische neergang van die sociaal-democratie. 

Het boek is uitgegegeven bij Printplezier en kost 19,95. Bestellen kan via https://webshop.printplezier.nl/Boeken/

donderdag 12 februari 2026

 De rijke geschiedenis van de fiets in Afrika

Een boek over fietsen in Afrika? Veel Europeanen zullen zich daar weinig bij kunnen voorstellen. Ze kennen hoogstens de Eritese wielrenner Biniam Giray of de uitdaging om van Cairo naar Kaapstad te fietsen. Het is de enorme verdienste van het boek Cycling Cities: The African Experience de enorme en diverse geschiedenis van het fietsen op het continent aan ons te vertellen, aan de hand van studies in zeventien steden in elf landen.


Het boek onder redactie van Njogu Morgan, Ruth Oldenziel, Peter Norton en Yusuf Madugu is een vervolg op een eerder deel over Europese steden. Het hele project staat onder leiding van Ruth Oldenziel. In totaal werkten er maar liefst 31, vooral Afrikaanse auteurs aan mee. 


Centraal in de Cycling Cities-aanpak staat een model van vijf factoren dat het succes van fietsen verklaart: stedelijke structuur, mobiliteitsalternatieven, verkeersbeleid en -politiek, sociale bewegingen en culturele status. De conclusie over Afrika: “De onderzoeken bevestigen dat alle vijf dimensies werkzaam zijn in Afrika maar anders op elkaar inwerken door Afrika’s koloniale erfenis, snelle postkoloniale urbanisatie en ongelijke economische ontwikkeling”.

Om tot een goede analyse te kunnen komen hebben de onderzoekers een veelvoud aan bronnen moeten opsporen en raadplegen. Betrouwbare cijfers over de modal split zijn er eigenlijk niet, alleen al omdat lopen als belangrijkste modaliteit in Afrika ontbreekt in de meeste statistieken. Voor het beeld, zeker in de eerste helft van de twintigste eeuw, zijn gegevens over import van fietsen, registratie en vooral ook gegevens over eigendom van fietsen onontbeerlijk. Het aantal huishoudens dat over een fiets beschikt zegt immers veel over de verspreiding ervan. Een belangrijke bron is ook beeldmateriaal. De foto’s en andere illustraties die in het boek zijn opgenomen zijn in één woord fantastisch en maken alleen al de aanschaf van het boek zeer de moeite waard: denk aan schitterende portretfoto’s, eenzame fietsers op verlaten autowegen, een vroedvrouw op een fiets op het platteland, versierde fietstaxi’s, reparatiewerkplaatsenin bedrijf, een advertentie van een man op een Raleigh-fiets die sneller is dan een leeuw. 

De onderzochte steden variëren van grote metropolen als Johannesburg, Kaapstad en Caïro tot in Europe minder bekende steden als Kisumu, Tamale, Chipata, Gulu, Zomba en Mzulu. In die kleinere steden is de positie van de fiets veel sterker gebleven dan in de metropolen, waarin de auto dominant is geworden en de afstanden veel langer zijn. Het aandeel fiets in de modal split varieert van 1% in de metropolen tot een ongelofelijke  57% in Chipata im Zambia (buiten het oogstseizoen).


Afrikaanse fietsen voor vervoer goederen en mensen op de tentoonstelling bij de boekpresentatie in Eindhoven

Belangrijke factoren in de ontwikkeling van het fietsgebruik op het continent waren de koloniale overheersing en de activiteit van missionarissen en de verspreiding onder de Afrikaanse bevolking. Na het einde van de koloniale overheersing zijn er tegenstrijdige ontwikkelingen. Progressieve politici als Julius Nyerere van Tanzania en Kenneth Kaunda van Zambia wilden het fietsen als democratische manier van verplaatsen stimuleren, anderen zoals Sadat in Egypte kozen voor de automobiliteit. Duidelijk wordt ook dat de economische functie van de fiets voor goederenvervoer in Afrika heel belangrijk is, vooral voor mannen – vrouwen vervoeren goederen vooral te voet. Fietstaxi’s voor vervoer van goederen en van mensen (met buddyzadels, ‘bodaboda’s’) spelen ook een grote rol, die wordt bedreigd door import van goedkope motorfietsen uit Azië. Bijzonder  is ook de rol van werkplaatsen, waar fietsen niet alleen worden gerepareerd maar ook creatief aangepast aan de lokale omstandigheden. Pogingen om het fietsen te versterkenin dit millenium, ook door aanleg van gescheiden infrastructuur, staan mdede onder invloed van internationale ngo’s. Ook wordt de dominantie van mannen in de fietscultuur ter discussie gesteld, bijvoorbeeld door Cyprine Odada van Kenia Cycling Women.


In een bespreking als deze is het bijna niet mogelijk om recht te doen aan de rijke geschiedenis van de fiets in Afrika, als dit boek één ding overtuigend aantoont is dat de fiets vanaf het begin van de twintigste eeuw op allerlei manieren aanwezig is op het continent.


Cycling Cities: The African Experience (296 pagina's op groot formaat) is te bestellen bij Stichting Historie der Techniek en kost 35 euro.