woensdag 25 mei 2022

In een parallel universum van het radicaal-links studentenmilieu met Ben Sanders. Een halve eeuw politieke herinneringen, aflevering 16

 1 Mei 2019: in een volle Geertekerk in Utrecht, zo’n beetje tegenover mijn werkplek bij de Fietsersbond, nemen we afscheid van Ben Sanders. Ben overleed op 64-jarige leeftijd, na complicaties vanwege een operatie. Tijdens de bijeenkomst klinken O’Caroline met de ijle, breekbare stem van Robert Wyatt en het zwoele en jazzy Hey Nineteen van Steely Dan, nummers waar ik net als Ben dol op was in de tijd dat we bevriend waren. Bens broer Raymond memoreert dat Ben in de tweede helft van de jaren zeventig voor hem en de familie moeilijk bereikbaar was, omdat Ben toen in een parallel universum leefde. En van dat parallelle universum maakte ook ik deel uit.


Ben studeerde medicijnen en was de onbetwiste leider van de studentenorganisatie MSFU, onderdeel van de studentenvakbond USF. Op de een of andere manier was die club bij medicijnen in zeer links vaarwater gekomen. Ik studeerde sinds 1975 geschiedenis en met een groepje gelijkgezinden vormden we een “linkse stroming” binnen de USF-organisatie UHSK.

De studentenvakbond USF werd in deze periode sterk gedomineerd door de Communistische Partij Nederland. Bij geschiedenis was Geert van der Kolk een zeer rechtlijnige voorman, hij werd later romanschrijver. Andere UHSK’ers die bekend zijn geworden waren Hans Wansink, Maarten Prak en Lex Heerman van Voss  De nadruk van de USF lag erg op een klassieke vakbondsstrategie: meer geld voor onderwijs en onderzoek. Op faculteitsniveau was er zo een bondgenootschap mogelijk met de staf, die (zoals Maarten van Rossum) bij geschiedenis meer op de PvdA was georiënteerd. Nu moeilijk voor te stellen, maar in de studentenwereld van die tijd waren naast CPN’ers ook PSP, anarchisten, maoïsten en trotskisten actief. Wie niet links was hoorde er niet echt bij, daar kwam het op neer. Demonstraties, acties en bezettingen van de USF waren aan de orde van de dag.

De geschiedenisgroep: links ik, daarnaast Carla Wijers, Günther Barten, Janne van Malenstein, Bas Streef, vooraan Johan Blom

Ben en ik vonden met onze groepen dat de studentenvakbond meer principieel tegen de herstructurering van het wetenschappelijk onderwijs stelling moest nemen en meer moest ingaan op de inhoud van het onderwijs. We kregen contact met soortgelijke groepen bij sociologie en psychologie en met de eerdere stroming van de socialistische bonden, in Utrecht georganiseerd in het Stedelijk Overleg en politiek beïnvloed door de onafhankelijke organisatie Rood Front Utrecht. Ontelbaar waren de bijeenkomsten op het kantoortje van de MSFU aan de Catharijnesingel, net als de (wekelijkse…) feesten in de werfkelder van de Catacomben aan de Oude Gracht. Uiteindelijk leidde al dat vergaderen en nadenken tot de oprichting van het Links Platform als linkse stroming in de USF en publiceerden we een lijvige (33 kantjes) tekst.


De USF-meerderheid was daar niet altijd blij mee. In nachtelijke sessies in café Het Pandje aan de Nobelstraat van de onvergetelijke barkeeper Cor en zijn vrouw Gerrie werd er heel wat afgediscussieerd, vooral met theologiestudent en USF-voorzitter Ab Harrewijn. Tegen Ab Harrewar, zoals we hem toen spottend noemden, zeiden we dat theologie geen wetenschap was en dat elk jaar studieduur ervan een jaar te veel was. Ab hapte dan onmiddellijk en ging zich dan opgewonden verdedigen. Zonder dollen : Aan Ab kon eigenlijk niemand een hekel hebben, zijn hart zat op de juiste plaats. Later, veel later kwam ik hem tegen toen hij bij de Delftse afdeling van GroenLinks kwam uitleggen dat we de oorlog tegen Servië moesten steunen. Net als Ben is Ab veel te vroeg overleden.

Ben ik en ik werden door mensen als Kees Huijsmans, Marcel van der Linden en Bas Streef politiek meer en meer aangetrokken door het trotskisme van de Vierde Internationale en voorman Ernest Mandel. Na een jaar van sympathisantschap sloten we ons in 1977 als lid aan bij de Internationale Kommunistenbond. Nu mochten we de interne bulletins lezen, Ben ik zaten op zijn kamer aan de Daalsedijk en bij mij aan het Veemarktplein urenlang de verhitte internationale discussies over het al dan niet steunen van de guerillastrijd in Latijns-Amerika te lezen.

Ons parallelle universum bestond uit vergaderen, discussiëren, schrijven, stencillen , actievoeren en lezen, afgewisseld – dat wel - met feesten en muziek. Voor andere zaken bleef weinig tijd over, zelfs mijn bezoek aan en belangstelling voor Feyenoord begon af te nemen. Ben nam in deze periode ook het besluit om in het zicht van de haven te stoppen met de studie medicijnen om ook geschiedenis te gaan studeren, hetgeen hem door zijn familie niet in dank werd afgenomen.

De hyperactiviteit was niet eeuwig vol te houden, zoals ik in aflevering 14 beschreef ontstond er een “crisis van het militantisme” en een oppositietendens binnen de IKB. Ben en ik maakten daar deel van uit, maar Ben hield het met een paar andere makkers zoals Steven van Slageren eerder voor gezien dan ik. Politiek actief werd hij daarna niet meer, behalve in het AFKU (Anti-Fascisme Komitee Utrecht).

Onze vriendschap begon daardoor snel te verwateren, zonder dat we ruzie hadden. Zonder de vergaderingen zagen we elkaar niet veel meer en praten over de breuk met een politieke stroming waar je ziel en zaligheid in hebt gestoken is moeilijk en ongemakkelijk, dat is me keer op keer gebleken en heb ik later ook zelf ondervonden. De wereld van het linkse activisme uit die tijd is ook een verhaal van verloren vriendschappen.

In het midden Ben, tijdens afstudeerfeest van mij en anderen in 1982

Ben bleef tot aan het einde een gulzige lezer, een muziekliefhebber, bourgondiër en dol op realistische historische oorlogsspelen – een guilty pleasure van meer radicale linksen. Hij werd uiteindelijk docent geschiedenis en daarna rector van een scholengemeenschap in Wageningen. Niet verbazingwekkend, want met zijn imposante verschijning en gedecideerde houding was hij een geboren leider. Ernstige gezondheidsproblemen deden hem helaas veel te vroeg de das om in dit niet-parallelle universum.

zaterdag 14 mei 2022

Spuiten, gondels en geheime video's in de Delftse gemeenteraad. Een halve eeuw politieke herinneringen, aflevering 15

Na de gemeenteraadsverkiezingen van 2002 werd het linkse college van Delft uitgebreid met de VVD. Het CDA viel buiten de boot. Voorman Niek van Doeveren had me nog geprobeerd te paaien met een kaart voor de business-seats bij Sparta-Feyenoord op 24 maart. Sympathiek natuurlijk en Feyenoord speelde Sparta onder leiding van een geweldige Shinji Ono met 0-5 van de mat. Toen ik het stadion verliet zag ik Ono, ik applaudiseerde en hij maakte een buiging. Het CDA bleef vaag rond het parkeerbeleid en organiseerde een stiekem overleg met de rechtse partijen. Dat keerde zich tegen de partij. Tijdens een debat zei ik tegen CDA-voorvrouw Manita Koop: “U bent een actrice die in de verkeerde film terecht is gekomen”, een van mijn betere one-liners, ter plekke bedacht.
Voetballen met gemeente Delft, met Niek van Doeveren in het gele keepersshirt en ik met mijn zoon David knielend links

De nieuwe wethouders Anne Koning (PvdA) en Lian Merkx (STIP) baarden in hun wittebroodsweken opzien door bij de dodenherdenking op 4 mei na een bloedhete dag tot afgrijzen van het Bureau Representatie te verschijnen in (Anne) korte broek en met hondje aan de lijn en (Lian) een iets te diep decolleté. 

 De verkiezingen hadden in het teken gestaan van de opkomst van Fortuyn en na de moord op hem was ook Delft in rep en roer. Op 6 mei was ik met mijn gezin in een vakantiepark en nadat ik er beelden van het rumoer op het Binnenhof op de tv kwamen heb ik mijn buren maar gevraagd mjjn GroenLinks-affiche van het raam te halen. Bij de verkiezingen had Leefbaar Delft op de vleugels van 9/11 en Fortuyn zes zetels gehaald, nadat de partij in 2001 was opgericht door SP-raadslid Jan Peter de Wit. Grote voorman was de plaatselijke beroemdheid Martin Stoelinga met zijn karakteristieke snor (overleden in 2021). Tijdens de verkiezingscampagne speelde hij de anti-islamitische kaart en betrad hij de Markt gezeten op een olifant. In zijn fractie zat ook de muzikant Peter Tetteroo, de zanger van de Tee Set (Ma Belle Amie). Tetteroo overleed later dat jaar en werd vervangen door een andere muzikant uit de Stoelinga-stal, gitarist Polle Eduard (Ik wil jou). 

Stoelinga op zijn olifant voor het Delftse stadhuis


De schok die Fortuyn had veroorzaakt had ook gevolgen voor onze GroenLinks-fractie. Op een fractieweekend bespraken we met de landelijke voorzitter Herman Meijer hoe we aan moesten kijken tegen de opmars van populistisch rechts, de kritiek op de gevestigde politiek en de draagvlak voor het migratiebeleid. Tijdens de algemene beschouwingen ging ik als fractievoorzitter op deze vragen in en bepleitte onder meer een straatfeestsubsidie om de sociale samenhang te bevorderen. Het was een wat tastend verhaal en de Delftsche Courant vond het daarom maar vaag. 

Binnen onze fractie was het hard werken, de chemie erbinnen was minder dan die in de voorgaande twee periodes. Wethouder Rik Grashoff, de ervaren Saskia Bolten en ik waren het leidende trio, de anderen waren minder sterk en/of zoekend naar hun rol. Het op één lijn krijgen en houden van deze fractie kostte erg veel energie, sommige karakters botsten ook. Het optreden van Leefbaar Delft en van Jan Peter De Wit-afsplitsing FRIS maakte het er niet makkelijker op. Binnen de raad waren ze vaak afwezig of alleen gericht op oppositie om de oppositie, in de plaatselijke pers en op internet voerden ze het hoogste woord en was het net alsof ze heel actief waren. 

Een dieptepunt was een relletje rond een nieuwe skatebaan op de middenberm van de Provinciale Weg. Er waren wat klachten van omwonenden en Stoelinga werd daarvan de spreekbuis. Hij beweerde dat er vuilniszakken vol spuiten en condooms waren gevonden en overhandigde in de gemeenteraad een pakket om dat te bewijzen. De inhoud bestond uit twee ongebruikte spuiten en een ongebruikt condoom - niet van de skatebaan dus. Achteraf werd deze vorm van politiek bedrijven afgewezen door de gemeenteraad en wij vonden deze manier van politiek bedrijven beneden alle peil. Onlangs zei de toenmalige D66-wethouder Meine Oosten me nog dat er bij hem toen iets geknapt was. In Delft waren we gewend aan felle debatten, maar de persoonlijke verhoudingen tussen alle fracties waren goed. 

Fotoshopgeintje van de website Politiek Delft


Bij mijn afscheid van de gemeenteraad op 18 december 2008 zei ik: "De virtuele gemeenteraad krijgt meer aandacht dan de echte: een stoer geschreven blog wordt overgeschreven in de krant en wordt daarmee politieke realiteit, maar dan wel een politieke realiteit buiten de politieke arena, die van de raad. In de echte arena worden die ideetjes vaak niet eens naar voren gebracht. En goed onderbouwde betogen in commissies en raad worden niet eens meer gehoord. Voor “moeilijke” onderwerpen is geen belangstelling, voor relletjes, ruzietjes en hypejes des te meer. Populistische politici en media die te veel meebuigen in populistische richting zijn zo een onzalig bondgenootschap aangegaan, dat de kloof tussen burgers en politieke elke dag opnieuw weer schept en reproduceert. Wat mij betreft kan er niet snel genoeg een einde komen aan deze wurggreep van de mediacratie." 

Het absolute dieptepunt was de zogenoemde gondelaffaire, die de Delftse politiek jarenlang verziekt heeft. Daarover valt een heel boek te schrijven, ik beperk me hier tot enkele hoofdlijnen. In 2005 besloot wethouder Christiaan Baljé van de VVD te stoppen omdat hij een baan aangeboden had gekregen bij vastgoedontwikkelaar Blauwhoed. Ik was daarin teleurgesteld, hij beschouwde mij als zijn leermeester en had zich verbonden aan het college. Voordat hij afscheid nam kwam Stoelinga opeens met een videopname op de proppen. Die was gemaakt door pizzeria-eigenaar Salvatore, die Baljé had getracteerd op eten en drinken en hem stiekem had gefilmd tijdens gesprekken over een grondverkoop. Daaruit zou moeten blijken dat Baljé corrupt was. Achtergrond was dat Salvatore graag twee Venetiaanse gondels wilde laten varen in de gracht voor zijn restaurant, Baljé dat min of meer had toegezegd en dat niet volledig was nagekomen. Er was wel een (merkwaardige) subsidie toegekend, maar onvoldoende om de gondels te kopen. De video-opname was een soort wraak van de pizzeria-baas. Stoelinga was met de opname naar burgemeester Verkerk gegaan, die had de boot afgehouden (hij kwam als Haagse wethouder ook voor in het gesdprek rond de grondverkoop…) en daarna gooide Stoelinga alles op straat. De vertrekkende wethouder werd `zo in diskrediet gebracht door een zonder zijn toestemming gemaakte opname. 

Het college van B&W reageerde als door een horzel gebeten en liet na een snel intern onderzoek weten dat er niets aan de hand was. Achter de schermen waren er overigens felle discussies tussen mij, de andere coalitievoorzitters en de wethouders over de vraag of de houding wel kritisch genoegd was. Maanden later bleek uit nadere publiciteit dat er wel degelijk fouten waren gemaakt door wethouder en ambtelijk apparaat en dat stelde ik dan ook onomwonden vast in de raad. Nog steeds geloof ik niet dat Baljé corrupt was rond gondels en grondverkoop. Door de affaires met onder meer Jos van Rey in Roermond, Hooijmakers in Noord-Holland en Richard de Mos in Den Haag besef ik me wel extra goed de gevaren van een te makkelijk omgaan met ondernemers en het doen van toezeggingen in een informele sfeer. Het is een gevaarlijke bestuursstijl en Baljé was daar een exponent van. 

 In de raad zei ik over de aanval van Stoelinga: "Iemand willens en wetens kapot maken en als je daarop wordt aangesproken over inquisitie beginnen. Leefbaar Delft doet zich graag voor als Klein Duimpje, die het tegen de reus van de gemeente opneemt. Niets is minder waar. In feite is onze lokale democratie het kwetsbare Klein Duimpje, dat zich voortdurend moet verdedigen tegen onwaarheden en onfrisse insinuaties. Leefbaar Delft bedrijft geen nieuwe politiek, maar vernielpolitiek, gebaseerd op rancune.Voorzitter, GroenLinks zegt : tot hier en niet verder. Wij willen geen maffia-achtige toestanden in Delft". Daar was geen woord Chinees bij. 

Met Rik Grashoff in de campagne voor de gemeenteraadsverkiezingen 2006

Aan het eind van de periode kwam de vraag aan de orde of wie de kar voor GroenLinks na 2006 zou gaan trekken. Rik Grashoff was inmiddels acht jaar wethouder en Saskia Bolten had ambitie om wethouder te worden. Mijn gevoel zei dat Rik beter zou kunnen stoppen. Zijn gedecideerde, ik zou zeggen Rotterdamse manier van besturen leverde oppositie op onder de bevolking, ook onder onze eigen stemmers. Ik had het idee dat het geduld van mensen aan het opraken was. Rik was er zelf niet van overtuigd dat hij moest stoppen. Tijdens een lange avondlijke en nachtelijke sessie bij Rik in zijn boerderijwoning aan het Rietveld kwamen we met zijn drietjes tot de conclusie dat stoppen het beste was en dat Saskia onze nieuwe lijsttrekker en wethouderskandidaat zou worden. Zelf bleef ik in beeld als fractievoorzitter en kreeg in van het partijbureau van GroenLinks dispensatie om voor een vierde termijn als raadslid te gaan. We hielden zo de regie in handen, hielden een persconferentie en lichtten ons besluit toe: een goed voorbeeld over hoe om te gaan met een opvolgingskwestie. 

Femke Halsema samen met Sophie Hilbrand op bezoek voor de  Tweede-Kamerverkiezingen van najaar 2006. Tweede van links Saskia Bolten, achter mij staat Fleur Norbruis, die me in 2008 zou opvolgen als 
fractievoorzitter.

In de aanloop naar de verkiezingen van 6 maart had ik nog wel een zeldzame aanvaring met Rik, die op drie specifieke locaties het fietsparkeren wilde reguleren door een verbod: op de Markt, aan het hek langs de Oude Langedijk en op het Bastiaanplein voor de C1000-supermarkt. Vooral met die laatste locatie had ik veel moeite, het was een logische fietsparkeerplek voor de vele studenten die hier boodschappen deden en doen. Het besluit van Rik leverde veel negatieve publiciteit op en dat vond ik niet handig en al helemaal niet vlak voor de verkiezingen. Op een gegeven moment stonden we na een ledenvergadering ’s avonds laat schreeuwend tegenover elkaar bij buurthuis De Vleugel in de Poptahof. In de fractie heb ik toen mijn zin doorgezet, we spraken ons uit tegen het verbod. Uiteindelijk kwam er een mooie oplossing met een subtiel afgebakend gebiedje voor fietsparkeren vóór de supermarkt, een oplossing die tot op de dag van vandaag goed werkt.

vrijdag 29 april 2022

Over twee radicale schrijfsters en hoe de cirkel rond werd. Een halve eeuw politieke herinneringen, aflevering 14.

 17 april 2019, in de Amsterdamse Hoftuin tref ik schrijfster Marja Vuijsje, naar aanleiding van haar nieuwe boek Oude Dozen, een min of meer feministische leesgeschiedenis. Eerder had ik al haar mooie biografie van Joke Smit en haar ogenschijnlijk luchtige boek over haar loodzware familiegeschiedenis Ons Kamp gelezen – Marja’s vader overleefde Auschwitz omdat hij trombone speelde. Het was op de kop af veertig jaar geleden dat Marja en ik elkaar gezien hadden en we  praatten uren bij over oude bekenden en over onze wederwaardigheden.


Oude Dozen had me erg geraakt, als historicus en als generatiegenoot en politiek geestverwant. Het is een  autobiografisch werk met een unieke invalshoek. Aan de hand van boeken over feminisme (en socialisme) die mensen in Amsterdam opruimen en langs de straat zetten (zoals De schaamte voorbij en The Golden Notebook, maar ook Inleiding tot de marxistische economie van Ernest Mandel) beschrijft Marja de linkse politieke cultuur vanaf de jaren zeventig, als trefzekere observator. Ze herleest de boeken, probeert te verklaren waarom ze zo populair waren en beschrijft de milieus waarin ze gelezen werden en vooral ook haar vriendschappen.

Herkenbaar voor mij, omdat de wegen van Marja en mij elkaar kruisten aan het eind van de jaren zeventig. Marja was korte tijd net als ik lid van de trotskistische Internationale Kommunistenbond, zij werd lid via een vriendin in de feministisch-socialistische beweging. Wij maakten beiden deel uit van een kritische stroming. Bijzonder van de Vierde Internationale (waarvan de IKB deel uitmaakte) was dat er tendensrecht was: leden konden in de aanloop naar een congres statutair een oppositiegroep vormen en hadden recht op faciliteiten en gelijke spreektijd op het congres.

Onze tendens vond dat de vrouwenbeweging en andere nieuwe sociale bewegingen niet ondergeschikt of minder waren dan de klassieke arbeidersbeweging en bekritiseerde ook het hyperactieve organisatiemodel, waarin je dag en nacht moest klaar staan voor van alles en nog wat; een hyperactivisme dat uiteindelijk gebaseerd was op een groteske zelfoverschatting van de eigen rol. Internationaal werd er gesproken over de “crisis van het militantisme”, waar de Franse sectie LCR een heel nummer van het theoretisch orgaan Critique Communiste aan wijdde. In Engeland was er een soortgelijke oppositietendens, die spottend “feesttendens” werd genoemd. In Nederland maakte de meerderheid daar “gezelligheidstendens” van, een benaming die we – zo gaat dat - maar als geuzennaam aannamen.

Het treffende omslag van het nummer van Critique Communiste

En gezellig en intens waren die bijeenkomsten van de tendens zeker en vast, met Marja, mijn Utrechtse vriend Hugo van Hamersveld, de Amsterdammers Gezien van de Riet, Jeroen Strengers en Herman Ubachs en de Nijmegenaren Harrie Lindelauff en Wilma Roland. Ik herinner me bijeenkomsten bij Gezien in de Amsterdamse Tolstraat, eten bij een Turks restaurant in de Pijp en drinkgelagen in Amsterdamse cafés. Zo stonden we een keer zo’n beetje op het biljart met een alternatieve tekst mee te blèren met In the Navy van The Village People. Het was spannend en inspannend om zo’n oppositierol te vervullen, het smeedde een hechte band. Zeker Hugo en Marja waren verbaal spitsvondig in hun ironisch commentaar op de gebeurtenissen, ironie en zelfspot waren sowieso belangrijk om ons op de been te houden.

Een kleurrijk figuur was Herman Ubachs, een van de eerste jongeren die in de jaren zestig het trotskisme had herontdekt en zoon van Herman Vonk, die het bescheiden blaadje Rooie Berichten met een vooroorlogs uiterlijk uitgaf. Herman runde met zijn moeder de kantoorboekhandel in de Van Woustraat en zou later zakelijk leider van toneelgroep Internationale Nieuwe Scène in Antwerpen worden en bourgondisch restauranteigenaar in Amsterdam. Ik herinner me een rit naar Nijmegen in zijn auto, waarin hij zo druk aan het redeneren was dat we pardoes in Duitsland terecht kwamen. Na de bijeenkomst in Nijmegen hadden we een knalfeest in het huis waar Harrie woonde, met stampende jazz van Archie Shepp op de draaitafel. Hugo en Marja hadden inmiddels een affaire, de avond eindigde dat ik probeerde te slapen terwijl Marja en Hugo naast me in het bed gezellig aan het vrijen waren.

In de aanloop naar het congres hielden veel van de aanhangers van onze tendens het overigens al voor gezien, vooral een groep in mijn Utrechtse afdeling. Op dat Vierde IKB-congres van 1979 in Elst kreeg onze tendens geen poot aan de grond, we werden ook niet erg serieus genomen omdat we geen uitgewerkt politiek platform hadden. Dat klopte ook wel, in de zin dat we vooral een intuïtieve afkeer hadden van een meer orthodoxe benadering die aan kracht won. De meerderheid zette op dit congres de eerste stappen op weg naar de “proletarische oriëntering”. 

Op het congres werd ik als lid van de tendens in het landelijk bestuur (het “Centraal Comité) gekozen, maar ik stond er zo goed als alleen voor. Marja, Hugo, Herman en anderen verlieten na het congres gedesillusioneerd de organisatie. Marja schrijft in Oude Dozen: “Van alle deelnemers aan de “gezelligheidstendens”  die de IKB vaarwel zeiden was ik waarschijnlijk degene die er het minst onder leed. Ik was slechts een blauwe maandag lid geweest, en mijn leven was ook in die periode niet beheerst geweest door activiteiten en met en tussen andere IKB’ers. Maar er waren ook uittreders die in één klap hun sociale omgeving kwijt waren, en erg verdrietig werden van de kilheid waarmee ze vervolgens door de rechtlijnigen onder de trotskistische kameraden werden behandeld”. Zelf bleef ik lid vanwege loyaliteit aan de organisatie met zijn anti-fascistische en anti-stalinistische traditie.

Christine Otten in 1980

Een paar maanden na het congres ontmoette ik op de zomerschool van de IKB in Santpoort Christine Otten, toen een rebelse en spontane meid uit een radicale Deventer familie en middelbare-scholiere. Christine werd mijn eerste echte vriendinnetje en kwam na haar eindexamenjaar naar Utrecht. Ze werd actief in onze jongerenorganisatie Rebel, werd journaliste en uiteindelijk een origineel en geëngageerd romanschrijfster. Ze heeft een geweldig vermogen om in de huid van anderen te kruipen, van zwarte Amerikanen in de marge tot vluchtelingen en gevangenen, en schreef een inmiddels imposant oeuvre. En Christine heeft net als Marja het politieke hart gelukkig nog altijd op de goede plaats. Beiden schrijven (in Oude Dozen en in De ander bestaat niet) ook met grote sympathie en bewondering over Sal Santen, de Amsterdamse internationale trotskistische leider van na de Tweede Wereldoorlog, die zijn politieke werk uiteindelijk staakte om te gaan schrijven – en hoe.

Het optreden in de Vondelkerk, rechts Maja Vuijsje

Christine is nog steeds een vriendin en met haar bezocht ik op 6 november 2021 een bijzonder concert van Marja in samenwerking met de Chileense componist Patricio Wang en zijn muzikaal ensemble, in de Amsterdamse Vondelkerk. Op het programma in dit prachtige decor schitterende emotionele protestliederen als Te Recuerdo Amanda van Victor Jara en Gracias a la Vida van Violeta Para, Marja presenteerde en declameerde.


Na afloop nam ik deze foto van Christine en Marja, waarmee deze cirkel rond was en de schitterende en wijze poëzie uit Joni Mitchells The Circle Game me te binnen schiet:

We're captive on the carousel of time

We can't return, we can only look

Behind, from where we came

And go round and round and round, in the circle game

zaterdag 16 april 2022

Boekverkoper en redacteur, mijn jaren in het boekenvak. Een halve eeuw politieke herinneringen, aflevering 13.

 Van 1982 tot 1993 stond mijn leven in het teken van het boek, of beter gezegd van het linkse boek. In de eerste helft als vrijwilliger bij linkse boekhandel De Rooie Rat in Utrecht, in de tweede helft als redacteur bij uitgeverij Sua in Amsterdam.

De Rooie Rat was een begrip in Utrecht en daarbuiten, de grootste linkse boekhandel in Nederland, eerst in de Raadskelder en later in een mooi groot pand aan de Oude Gracht. Het was een ontmoetingsplaats voor heel links, van PvdA tot aanhangers van het Rood Verzetsfront en dat weerspiegelde zich ook in het assortiment, waar Stalin en Trotsky broederlijk naast elkaar stonden – een unicum. 

De Rooie Rat was een collectief van vrijwilligers en werd gerund door drie beroepskrachten, Theo Gielen, Bartho Hendriksen en Berd Bruins. Het collectief vergaderde zoals het hoorde in die tijd elke week, vraag me niet meer waarover we wel en niet allemaal discussieerden. Ondertussen werd de koers vooral bepaald door de beroepskrachten en in het bijzonder door Theo, die heel erg voor het collectief was maar ondertussen graag aan de touwtjes trok. Een heikel punt was de verkoop van romans, waarbij rekkelijken zoals ik (alles wat geëngageerd was)  stonden tegenover de preciezen (alleen romans met een expliciet politieke inhoud). 


Ik begon als vrijwilliger na mijn afstuderen, stond een keer per week in de winkel en was verantwoordelijk voor de Duitse import. Hoogtepunt waren de reizen naar de Frankfurter Buchmesse, met zijn eindeloze hoeveelheid boeken in de grote hallen, borrels aan het einde van de middag in de Nederlandse hoek, de mannen in pak die s’ochtends om elf uur al aan het bier en de Bratwurst begonnen en het logeren in de alternatieve woongroep van onze kennis Marianne Kröger aan de Mainzer Landstrasse. Mooi was het programma dat we maakten in het kader van het 15-jarig bestaan in 1986, met een brochure over de geschiedenis van het linkse boek in Utrecht, een discussieavond over de Spaanse burgeroorlog en een knallend feest in Rasa, nog zo’n legendarische Utrechtse pleisterplaats. In de brochure interviewde ik Fernanda van Hamersveld, de moeder van links Utrecht en van Hugo, mijn boezemvriend in die tijd, over de in 1916 opgerichte linkse kantoorboekhandel van haar vader Herman Kapteijn, in de oorlog een geheim adres van de illegale CPN.

Receptie 15 jaar Rooie Rat. Met collega-vrijwilliger Marina van Hoek (rechts) en Boy en Christiane van V an Gennep.

Forum 15 jaar Rooie Rat: Met Beatrijs Ritsema, Hans Achterhuis en voorzitter Will Tinnemans
  
Debat over Spaanse Burgeroorlog met radencommunist Cajo Brendel en CPN'er Piet Laros (15 jaar Rooie Rat)

De Rooie Rat bestaat inmiddels niet meer, door het verdwijnen van de aantrekkingskracht van links en de opkomst van internet werd het steeds moeilijker om het hoofd boven water te houden. In 2015 sloot de winkel de deuren, een symbolisch feit dat de nodige aandacht kreeg in de landelijke pers. Daarmee verdween niet alleen een naam, maar ook een imposante collectie (boeken over politieke theorie, landenstudies, vrouwen- en homostudies, alternatieve strips en protestmuziek).

Die sluiting maakte ik zelf al lang niet meer mee, omdat ik in 1987 bij Uitgeverij Sua was gekomen. De zittende redacteur was Joost Lagendijk, oud-studiegenoot en ook oud-medewerker van de Rooie Rat. Joost vertrok bij de Sua en maakte mij attent op de ontstane vacature. Zo begon ik in het voorjaar van 1987 als redacteur bij het kleine zusje van de grote linkse uitgeverijen Van Gennep en SUN. De Sua was ontstaan uit de studentenvakbond Asva en had nog altijd veel banden met de` Universiteit van Amsterdam. Inhoudelijk was de uitgeverij meer en meer van klassiek links in vaarwater van het populaire poststructuralistische discours gekomen – een stroming die mij persoonlijk nooit aangesproken heeft.

Er was een kundige redactieraad, die formeel besloot over het al dan niet uitgeven van manuscripten. De dagelijkse werkzaamheden werden gerund door twee redacteuren (naast mij eerst Jansen Schöttelndreier en later Marieke Hilhorst), een financieel medewerker (stille kracht Nico van Lieshout) en een verkoop/pr-medewerkster (achtereenvolgens Karen Peeters, Ruth Buwalda, Caroline Damwijk – inmiddels directeur van Libris – en Rita van Hoek). We werden in eerste instantie aangenomen met een niet-geheel legale constructie, later kregen we een echt minimumloon – het waren de jaren tachtig, waarin afgestudeerde werkloze academici met alles blij waren. In totaal was ik bij de uitgave van zo’n honderd boeken betrokken (uitsluitend non-fictie: proefschriften, sociaal-wetenschappelijke studies, kunsthistorische theorie, herinneringen en reisgidsen).

Een van de meest bijzondere mensen die ik tegenkwam was Anil Ramdas, die zijn afstudeerscriptie De strijd van de dansers bij ons aanbod. Ik herkende onmiddellijk de sprankelende intellectuele kracht van Anil en zijn boek, een hoogst originele analyse van maatschappelijke verhoudingen op Curacao. We gaven het boek uit en Anil kwam ook in onze redactieraad. Hij zorgde er mede voor dat we werk van Stuart Hall - zijn analyses van de hegemonie van het Thatcherisme; met hem gingen we uit eten als voorbereiding op een optreden bij De Balie -, Aristide Zollberg (migratie) en Pierre Bourdieu (nog niet in het Nederlands vertaald) konden uitgeven.

. Dat Anil uiteindelijk het leven niet meer aankon is nog steeds moeilijk te bevatten, een blijvend verlies voor het onafhankelijke en creatieve denken in Nederland.


Bijzonder was ook de uitgave van Herinneringen van een joods meisje van Eva Schloss, die  Anne Frank had gekend en de tweede vrouw van Otto Frank. Die succesvolle uitgave was mogelijk gemaakt door redactieraadslid en medewerkster bij de Anne Frank Stichting Dienke Hondius.

Trots ben ik op de Odyssee-reisgidsenserie. Rooie Ratter Bartho Hendriksen en Leo Plavoet namen het initiatief, in eerste instantie vertaalden en bewerkten we Rough Guides, later maakten we volledig eigen reisgidsen boordevol achtergronden en praktische informatie. Dat was een redactioneel en productietechnisch monsterklus, denk alleen aan alle speciale tekens in het Tsjechisch met de eerste generatie desk top publishing…. Leo en Bartho zijn er tot op de dag van vandaag in geslaagd de serie overeind te houden, een prestatie van formaat. Een heel bijzonder exemplaar in de reeks was dat over Zuid-Afrika, de eerste reisgids over Zuid-Afrika in de overgangsfase na de apartheid, geschreven door de journalisten Evelien Groenink en Bart Luirink, beiden actief in de Anti-Apartheidsbeweging Nederland.

Mooi was ook de door mij geïnitieerde reeks waarin bekende journalisten schreven over steden waar ze een passie voor hadden, zoals Rudie Kagie over New York, Henk van Gelder over Londen en Ineke van den Bergen over Berlijn. 

Andere titels die eruit springen: het baanbrekende proefschrift over seksueel geweld tegen vrouwen en traumatisering van Nel Draijer; dat van Jet Bussemaker over economische zelfstandigheid van vrouwen; een bundel over de affaire rond Rushdies Duivelsverzen, met een open brief van Ahmed Aboutaleb (volgens het colofon “journalist bij Veronica, directeur van Migranten Televisie MTV in Den Haag en programmamaker bij MTV in Amsterdam” met een oproep om islamitisch fundamentalisme niet de schuld van alles te geven); reportages over de val van het communisme in Oost-Europa door mijn Utrechtse kennis Will Tinnemans.

Met Sua op Amsterdamse uitmarkt. Ik sta links, naast me Jeroen Boomgaard (Kunstreeks), rechts collega Nico van Lieshout.

De uitgeverij had moeite om overeind te blijven. De boeken verschenen in kleine oplagen (gemiddeld 1500 exemplaren) en vaak lukt het niet om quitte te spelen. De enkele titels die goed liepen brachten onvoldoende extra geld in het laatje om echt stappen vooruit te zetten. Dat was voor de werksfeer niet altijd prettig en leverde soms vervelende situaties op. Zo hadden we de vertaalrechten gekocht van de kritische Columbus-biografie van de Amerikaans-Nederlandse auteur Hans Koning. Door tegenvallende bestellingen van de boekhandel stopten we de vertaling halverwege, tot ongemak van mij en begrijpelijk onbegrip van de auteur.

Toen ik in 1993 van Utrecht naar Delft verhuisde was de pijp bij mij leeg en besloot ik te stoppen bij de uitgeverij. Vlak daarna nam de succesvolle uitgeverij De Geus de Sua over, de naam bleef nog korte tijd over als imprint maar verdween snel voorgoed uit het boekenvak. 

Zo verdwenen De Rooie Rat en de Sua, symbolisch voor de neergang van de linkse hegemonie in Nederland.


zondag 3 april 2022

De internationale van de fiets. Een halve eeuw politieke herinneringen, aflevering 12.

 18 mei 2019, Brussel: ik zit voor de achtste keer de jaarvergadering voor van de federatie van Europese Fietsersbonden (ECF). Tijdens de vergadering moet ik even gaan plassen en laat ik het voorzitten aan mijn Deense collega-voorzitter Jette Gottsche. Bij terugkomst bij de zaal zie ik allemaal besmuikt lachende gezichten. Ineens dringt het tot me door dat ik mijn headset nog op heb en dat iedereen heeft kunnen meegenieten van mijn geklater. Ik doe het enige dat kan na zo’n blunder: naar mijn hoofd grijpen en zelf even hard meelachen.


Met collega-voorzitter Jette Gottsche

Het leuke van mijn functie bij de Fietsersbond is dat ik als verantwoordelijke voor de internationale contacten steeds naar die jaarvergaderingen, naar het grote fietscongres Velo-city en andere buitenlandse bijeenkomsten mag. Op de jaarvergaderingen (meestal met 50-75 deelnemers) gaat het om lobby op Europees niveau en om uitwisseling van ervaringen, bij Velo-city (750-1500 deelnemers) vooral om het uitwisselen van kennis. Plaatsen die ik zo heb bezocht zijn Brussel, Kopenhagen, Stockholm, Bremen, Berlijn, Nantes, Straatsburg, Parijs, Milaan, Sevilla, Lissabon, Brno, Tczew, Dublin, Manchester, Belgrado, Wenen en Bratislava. Tijdens die bijeenkomsten vertellen we fietsenthousiasten uit andere landen over het succes van de fiets in Nederland en de geschiedenis daarvan en horen we van ervaringen elders, grote en kleine, moeilijke èn inspirerende. Het is bijzonder om te zien dat zo’n eenvoudig vervoermiddel als de fiets tot een levendige internationale beweging heeft geleid, onze ECF is in bijna elk Europees land vertegenwoordigd. Een beweging bovendien die vooral bestaat uit bevlogen vrijwilligers.

In Sevilla met ECF-bestuursleden Morten Kerr, Doretta Vicini, Kevin Mayne en William Nederpelt (2011)

Mijn vuurdoop beleefde ik in 2008 in de prachtige Tsjechische stad Brno. Daar ontmoette ik bijvoorbeeld de innemende ECF-voorzitter Manfred Neun, mijn collega-lobbyist Fabian Küster en oude bekende Bernhard Ensink (secretaris-generaal (!) en tevens oud-directeur van de Fietsersbond). Dit trio stond in Brno en later borg voor een uitermate gründliche voorbereiding van de jaarvergadering. Ook ontmoette ik al op weg naar Brno vanuit Praag in een klein vliegtuig het Deense duo Jens Loft Rasmussen en Walther Knudsen, een bankmedewerker en een bibliothecaris, mannen naar mijn hart. Met hen bezocht ik na afloop van de vergadering nog de imposante Villa Tugendhat van Bauhaus-architect Mies von der Rohe, waarna we aan het eind van de ochtend op een druk terras al aan een halve liter van het onovertroffen Tsjechische pils zaten.

Jens Loft Rasmussen en Walther Knudsen, Wenen 2012


De algemene vergadering van de ECF in 1918 in Milaan

In 2010 in het Poolse Tczew was een bijzondere delegatie aanwezig van Oosteuropese vrouwen op  hakken en een mannelijke begeleider, die met een auto arriveerde. Ze vielen uit de toon, dat was duidelijk. De meeste vertegenwoordigers van de Fietsersbonden zijn casual gekleed of in sportieve fietskleding, deze mensen zagen er chiquer uit en mengden maar mondjesmaat met de groep. Toen we op mountainbikes een fietstocht gingen maken over de drassige oever langs de rivier Wisla en over kinderkopjes naar kasteel Malbork moest deze delegatie stevig afzien, het lukte ze maar net om op de fiets te blijven. Met behulp van Fabian Küster en Frans van Schoot ben ik erachter gekomen dat het om een delegatie ging van de Ukrainian Cycling Association. Hun lidmaatschap van de ECF heeft maar kort geduurd, hoe het precies zat weet ik niet meer; ik dacht dat ze de ECF vooral hadden gezien als een subsidieloket. 

De fietstocht in Tczew in 2010

In Tczew was ook een groep enthousiaste jongeren uit Kiev. Die is nog steeds aangesloten bij de ECF. Het enthousiasme en de expertise van jonge activisten uit Oost-Europa is sowieso indrukwekkend, dat merkte ik ook tijdens een ontmoeting in Belgrado met fietsorganisaties uit het voormalige Joegoslavië in 2014. De groep uit Kiev maakt nu met andere alternatieve clubs een krant met nieuws over de oorlog. Twee leden van de groep, Victor en Ksenia, verblijven sinds kort bij oud-voorzitter Manfred Neun in het Duitse Memmlngen.

Een erg geanimeerde editie van het Velo-city congres vond in 2013 plaats in het imposante gotische stadhuis van Wenen. Een van de sprekers was Fietsersbond-voorzitter en Gelderse CDA-gedeputeerde Marijke van Haaren.  Zij was er onder meer om mensen warm te maken voor de kandidatuur van Arnhem-Nijmegen om een volgende editie van het congres te organiseren. Toen Marijke aankwam belde ze mij op een  toon die geen tegenspraak duldde om naar het hotel te komen om haar presentatie door te nemen,  terwijl ik net kilometers verderop met een groep mensen in het Praterpark lag te chillen in de avondzon met een biertje, na een mooie massale fietsparade. 

De volgende dag hield Marijke haar verhaal op het hoofdpodium voor zo’n duizend congresgangers, waarna ze aan een forumdebat deelnam. De deelnemers zaten op het verhoogde podium op een grote sofa en laat Marijke nu een witte rok aanhebben die net over de knie kwam. Dat werd een gesprek in een bijzonder ongemakkelijke houding. Na afloop kreeg ik het verwijt haar niet gewaarschuwd te hebben voor de opstelling op het podium, alsof ik daarvoor verantwoordelijk was…. Overigens was Marijke de perfecte ambassadeur voor Arnhem-Nijmegen en werd het congres daar in 2017 gehouden, met een opening door Willem-Alexander. Hij drukte op een bel en dat was het, het protocol verbiedt dat de koning na een openingshandeling ook nog een toespraak houdt.


Marijke van Haaren presenteert op Velo-city in Wenen 2013

In Arnhem-Nijmegen was er na de fietsparade een feestavond rond het Honig-terrein, een vergaarbak van alternatieve bedrijfjes. Een grote Braziliaanse delegatie bouwde daar een geweldige party in de buitenlucht. Samen met collega Jaap Kamminga en Fietsersbond-directeur Saskia Kluit raakten we op een rustiger plek in gesprek met Shannon Galpin, een geweldige en inspirerende Amerikaanse vrouw die in Afghanistan gedurende tien jaar vrouwen aan het fietsen had gekregen. Op dit moment probeert Sharon nog om een groep wielrennende vrouwen veilig uit Afghanistan te krijgen. Het vrouwenwielrennen is nu door de Taliban verboden en de internationale wielrenbond zwijgt…..


Omslag van een van de boeken van Shannon Galpin


Tussen de feestende Brazilianen, Nijmegen 2017

Een laatste bijzonder moment: de reis met de Klimaattrein naar de klimaattop  in Kopenhagen eind 2009, samen met toenmalige directeur Hugo van der Steenhoven. Aan boord waren onder meer Jesse Klaver (toen nog CNV-jongeren) en Diederik Samsom. Het werd al snel een party-trein, totdat midden in de nacht het bier op was. Het vertrek van de trein in Utrecht was op het 8-uurjournaal en ik was een paar seconden te zien. Op die paar seconden beeld kreeg ik meer reacties dan op jarenlange noeste schriftelijke arbeid. It’s the image, stupid.

zondag 27 maart 2022

Het overlijden van Alain Krivine en van de geest van 68. Een halve eeuw politieke herinneringen, aflevering 11

 Op 12 maart overleed op 80-jarige leeftijd Alain Krivine, een van de hoofdrolspelers van Mei ’68 in Parijs en de bekendste trotskistische leider in Frankrijk. Een overlijden dat in Frankrijk veel aandacht kreeg, onder meer van de voormalige Eurocommissaris Pierre Moscovici en La France Insoumise-leider Jean-Luc Mélenchon,  beiden ooit politieke geestverwanten. Le Monde wijdde een groot artikel aan de overleden revolutionair die er tot het eind van zijn leven van overtuigd bleef dat revolutie mogelijk was en er “meer redenen dan ooit waren om in opstand te komen”. In Nederland kreeg het nieuws in de dagbladen daarentegen geen aandacht.



Ik zag Krivine optreden als leider van zijn Ligue Communiste Révolutionnaire in 1981, tijdens zijn campagne tegen Giscard d’Estaing. Bij Porte du Pantin in Parijs was er een grote manifestatie op een festivalterrein. Er waren veel muzikale optredens, waaronder van de linkse chansonnière Fransesca Solleville, zangeres van het prachtige Le Temps de Vivre. Het affiche voor het evenement was gebaseerd op het Russische suprematisme van na de revolutie, het heeft jarenlang op mijn Utrechtse kamer gehangen.


Wij bezochten die bijeenkomst met een groepje makkers uit Utrecht en Eindhoven, met de ruimte van Toneelgroep Proloog als uitvalsbasis. Op de achterkant van ons busje het affiche dat wij als IKB gebruikten in de Tweede-Kamerverkiezingen van dat jaar, Eenheid in de strijd tegen de crisispolitiek.




Onze Franse kameraden hadden een gehoor waarvan wij in Nederland slechts konden dromen. Tijdens de toespraak van Krivine zaten er duizenden mensen in de circustent, die aan het eind uit volle borst Vive la Quatrième Internationale, Vive la Quatriéme Internationale scandeerden en uiteraard De Internationale zongen: “Debout les damnés de la terre, debout les forçats de la faim”.”C’est la lutte finale, groupons-nous et demain, l’Internationale sera le genre humain”.


Krivine kwam uit een communistisch hogere-middenklassemilieu van uit Oekraïne afkomstige joden, werd op zijn zeventiende lid van de communistische jeugdorganisatie en werd door de Algerijnse onafhankelijkheidsstrijd aangetrokken door de stroming van de door Stalin vermoorde Russische revolutionair Leo Trotski. Ook twee broers van hem (Jean-Michel en Hubert) gingen dezelfde weg. De Jeunesse Communistes Révolutionnaire van Krivine gingen samen met de oude generatie trotskisten in de PCI en gingen gezamenlijk verder als Ligue Communiste, later LCR en tegenwoordig Nouveau Parti Anticapitaliste. Ze speelde een belangrijke rol tijdens de gebeurtenissen in Mei’68, in de beweging tijdens de Vietnam-oorlog en in ontelbaar veel latere acties. Als presidentskandidaat haalde hij in 1969 maar 1% van de stemmen, in 1999 werd hij wel gekozen in het Europees Parlement. Hij bleef tot zijn laatste snik actief binnen de NPA en de Vierde Internationale.

Krivine in gesprek met veteraan Pierre Frank tijdens de manifestatie in 1981

De LCR was voor ons in de jaren zeventig en begin jaren tachtig een groot voorbeeld. De partij had duizenden leden en sympathisanten (zij het dat de partij in 1981 een stuk kleiner was geworden dan in 1977) en presteerde het om enkele jaren lang een uitstekend dagblad uit te brengen, een echt huzarenstukje. Op vakantie in Frankrijk kon je het dagblad Rouge in elke kiosk kopen. In Parijs had de organisatie een volwaardige boekhandel, La Brèche in de Impasse Guemenee. In het theoretisch blad Critique Communiste schreven mensen als de surrealisme-kenner Michel Lequenne (vorig jaar overleden op 100-jarige leeftijd). Boven alles symboliseerde de LCR het revolutionaire Franse pathos. De jongeren waren sterk beïnvloed door Che Guevara en de guerillastrijd in Latijns-Amerika, aanleiding tot felle debatten met orthodoxere trotskisten als Gérard Filoche in de eigen organisatie en Pierre Lambert in de concurrerende OCI.

De JCR LC/LCR had naast Krivine nog twee andere spraakmakende leiders, naast een hele serie interessante leden en denkers: Daniel Bensaïd en Henri Weber. Beide soixante-huitards leven ook niet meer. Bensaïd kreeg Aids en schreef tijdens zijn ziekte vele boeken, waaronder zeer diepgaande en interessante memoires, Une lente impatience. Hij bleef tot aan zijn dood een van de Franse en internationale leiders. Bensaïd was een echte intellectueel, die in het verrechtste Nederland nooit enige aandacht kreeg. Weber volgde een andere weg, hij haakte in 1980 al af, hij kwam tot het inzicht dat er geen revolutionaire perspectieven meer waren en werd sociaaldemocraat in 1986. Hij bekleedde vele functies binnen de Parti Socialiste, was geliefd en gerespecteerd en behield tot aan zijn dood vriendschappelijke contacten met oude kameraden. Krivine, Bensaïd en Weber behoorden alle drie tot de naoorlogse joodse generatie in Frankrijk.


Alain Krivine, Daniel Bensaïd, Henri Weber

In zijn proefschrift noemde Jean-Paul Salles de LCR een leerschool voor de leden; en Henri Weber zei dat hij mensen die lid van de LCR waren geweest altijd herkende, hij noemde de LCR de Ecole Nationale d’ Administration (de Franse eliteschool) van links. Ik heb Krivine alleen die ene keer gezien, maar voor mij was hij een van de mensen die de stroming vertegenwoordigde die voor mij inderdaad een echte vormende leerschool was, een school waar ik heel veel geleerd heb en ook weer heel veel van heb moeten afleren. Dat Krivine als laatste van het leidende soixant-huitards LCR-trio is overleden maakt me – ik kan er niks aan doen – weemoedig, met Krivine is de geest van mei '68 definitief passé.

zondag 13 maart 2022

Hoe ik een condoom kreeg van Sharon Dijksma. Een halve eeuw politieke herinneringen, aflevering 10




Dit condoom kreeg ik in 1994 van Sharon Dijksma. In de aula van de TU Delft was een verkiezingsdebat over jongeren en studenten, waar ik als GroenLinkser aan deelnam. Sharon Dijksma zat ook In het forum, ze kon op dat moment als kandidaat voor de Partij van de Arbeid het jongste Kamerlid ooit worden. Ze werd daarom gevolgd door een televisieploeg van de Vpro, die in haar kielzog binnentrad toen het debat begon. Erg geïnteresseerd in de andere discussiedeelnemers leek Sharon eerlijk gezegd niet, toen ze weer vertrok deelden Jonge Socialisten de condooms uit.

Later, veel later kreeg ik als lobbyist van de Fietsersbond direct te maken met Sharon Dijksma als Kamerlid en staatssecretaris. In 2011 begonnen we een campagne tegen scooteroverlast en zij was het eerste Kamerlid dat daarin geïnteresseerd was. Ik sprak haar in haar werkkamer en daarna agendeerde ze het onderwerp in commissievergaderingen. Jarenlang zorgden de veel te hard rijdende en stinkende snorscooters op het fietspad voor scherpe controverses. De Fietsersbond stond samen met de gemeente Amsterdam, Milieudefensie, het Longfonds en Natuur en Milieu tegenover Anwb, Rai Vereniging, BOVAG en verzekeraars. Bijzonder is dat we als Fietsersbond door bemiddeling van een lid met een hoge positie op de Zuidas gebruik konden maken van adviezen van een ervaren internationale adviseur op het gebied van public affairs. Uiteindelijk kwam er na een jarenlang gevecht een algemene maatregel van bestuur die het gemeenten mogelijk maakte snorfietsen met een helmplicht naar de rijbaan te verplaatsen. Sharon Dijksma was als wethouder van Amsterdam degene die deze maatregel echt implementeerde in 2019. En Utrecht is de tweede stad die de maatregel nam, tijdens haar burgemeesterschap.




Als staatssecretaris bewees Sharon Dijksma een kundig en handig politica te zijn. Onder haar leiding kwam er een afsprakenkader over afsluiting van spoorwegovergangen door Prorail, waarbij de Fietsersbond samen met Wandelnet, Anwb en andere recreatieve organisaties betrokken was. Dat kader was nodig omdat Prorail te vaak afweek van bestaande afspraken en overgangen afsloot zonder naar goede alternatieven voor fietsers en voetgangers te kijken. Vooral rond de overgang bij het Laantje van Alverna bij Heemsteden was een fors conflict ontstaan. Gevolg van afsluitingen: te ver omfietsen en wandelen en daarmee aantasting van de fijnmazigheden van de fiets- en wandelnetwerken. Het afsprakenkader bepaalde vooral ook dat er integraal gekeken moet worden naar alle overgangen in een specifiek gebied, zodat een goede afweging kan plaatsvinden.

Ondertekening van het Afsprakenkader spoorwegovergangen. Sharon Dijksma met onder anderen Saskia Kluit (Fietsersbond), Paulus Jansen (Landelijk Fietsplatform) en Pier Eringa (Prorail)



Politiek nog belangrijker was het bestuursakkoord over fietsparkeren bij stations dat eind 2017 werd gesloten onder haar leiding. In de jaren vóór het staatssecretarisschap van Sharon Dijksma had minister Schultz voortdurend gezegd dat het Rijk zich niet meer moest bemoeien met het fietsparkeren bij stations. Er was een mantra dat slechts twee overheidslagen zich met een onderwerp mochten bezig houden en dit geval waren dat gemeenten en provincies. Als Fietsersbond vonden wij dat de stallingen integraal onderdeel zijn van het spoorsysteem en dat het Rijk ze financieel mede mogelijk moet maken. Met NS bereikten we bovendien na jaren van aftasten een mooi compromis, waarbij de gebouwde stallingen de eerste 24 uur gratis zijn, zodat de stationspleinen niet vol hoeven te staan met zeeën van fietsen. NS’ers Herman Gelissen en Kees Miedema en Prorailer Folkert Piersma speelden een grote rol in het realiseren van dat compromis.

Zonder het expliciet te zeggen brak Sharon Dijksma gedecideerd met het beleid van Schultz. Ze trok 40 miljoen uit voor uitbreiding van stallingen in een aantal grote steden en in het bestuursakkoord werden verdere afspraken voor de toekomst vastgelegd. ~Kortom, het Rijk was weer aan boord. In de volgende regeerperiode stelde Stientje van Veldhoven voort op deze wending door maar liefst 150 miljoen euro Rijksgeld ter beschikking te stellen voor de stallingen.

In het voorjaar van 2020, tijdens de Coronacrisis, was ik thuis aan het opruimen en kwam ik het condoom van Sharon tegen. Ik plaatste een foto op Twitter met de vraag “Weet je nog, @Sharon Dijksma?” en ze antwoordde:” Hahaha. Zeker, die hebben we door heel NL uitgedeeld toen! Ik vond vooral de merknaam hilarisch. Maar… dat je deze bewaard hebt Wim”.

Tsja, als historicus weet ik wat je wel en niet moet bewaren. En gebruikt was ie ook niet.