vrijdag 30 december 2011

So hit me with music - Bob Marley & the Wailers, Live!


SO HIT ME WITH MUSIC

Bob Marley and the Wailers-Live at the Lyceum (1975)



In mijn lijst met tien beste cd’s aller tijden hoort ook een live-album., dat heb ik mezelf afgesproken aan het begin van deze serie. Ik ben altijd een liefehbber van het genre geweest, vanwege de hoorbare interacie tussen muzikanten en publiek. Een goede band stijgt daardoor boven zichzelf uit, bij een goede registratie waan je je tussen het publiek.

In mijn lijst met favoriete albums komen daarom heel wat live-albums voor. Uiteraard Band of Gypsies van Hendrix, waarbij je alleen maar kunt denken: was ik daar maar bij geweest. Olympia Concert van de Bretonse folkmuzikant/harpist Alan Stivell, die ik in de jaren zeventig verschillende keren zag optreden en in 2000 in het Bretonse Paimpol. Van de vele live-albums van Zappa de verbluffende band op Roxy & Elsewehere en YCDTOSA Vol. 2, waar ik de vorige aflevering over schreef. Stop Makin’ Sense van Talking Heads, Stage van Bowie en Viva van Roxy Music, albums waarop deze groepen/artiesten meer tot leven komen dan op het studiowerk. Niet te vergeten Chante van Wende Snijders, een verpletterende voorstelling die ik ook live zag, fantastisch opgebouwd en energiek van de eerste tot en met de laatste seconde. Gold Dust van de goddelijke zangeres Sandy Denny, het laatste optreden voor haar tragsiche dood. Ook niet misselijk: de dvd Live at Sloane Castle van U2, een band in topvorm voor een grote feestende Dublinse menigte.

Toch kies ik een ander album uit voor mijn top 10 en wel het album waarmee Bob Marley definitief internationaal doorbrak: Live at the Lyceum (ook bekend als Live!) Nog iets beter dan het ook magnifieke, latere live-album Babylon by Bus (uit de tijd van Exodus, zijn allerbeste studioalbum). Ik reken Bob Marley tot de allergrootste namen uit de popmuziek, hij was zoveel meer dan alleen de beste reggaemuzikant. Een groots zanger en vooral: een groots liedjesschrijver, want slechte liedjes heeft Marley bijna niet gemaakt. Onvergetelijke des te meer, met Redemption Song als ontroerend testament. In 1975 was Marley via het Islandlabel al uit de (westerse) anonimiteit getreden met de prachtige albums Catch a Fire, Burnin’ en Natty Dread. Met die albums werd de in Jamaica al lang bekende reggaeartiest een wereldster en werd reggae een nieuwe stijl binnen de internationale popmuziek. Natty Dread was het eerste album zonder Peter Tosh en met de I-Threes, de drie achtergrondzangeressen die op Live at the Lyceum zo’n belangrijke rol spelen.

Live at the Lyceum is opgenomen in Londen op 18 juli 1975 en kwam uit in december 1975. Mij stond eigenlijk bij dat hij uiktwam tijdens mijn middelbare-schooltijd, maar dat klopt niet, eind 1975 woonde ik al in Utrecht. Tijdens mijn studententijd was het een album dat je altijd en overal hoorde, op elk feest en op elke dansavond (en daar waren er gruwelijk veel van). Live at the Lyceum laat niemand koud, iedereen krijgt er goede zin van. Je hoort het publiek waanzinnig reageren op de muziek en dat werkt bij mij tot op de dag van vandaag aanstekelijk. Luister alleen maar naar de manier waarop het publiek meteen begint te zingen bij de eerste tonen van No Woman No Cry en daarna reageert op de tekst.

Live at the Lyceum is een album van klassieke lp-lengte (ruim 36 minuten) zonder zwakke plekken, met zeven nummers die allemaal staan als een klok en sociale verontwaardiging over de armoede en ongelijkheid in Jamaica combineren met muzikale opwinding en vreugde. Trenchtown Rock is de stuwende opener, met de onvergetelijke tekstregel die het hele album eigenlijk samenvat: “One good thing about music, when it hits, you feel no pain”. Daarna komt het opstandige, maar ingetogen Burnin’ and Lootin’. Them Belly Full (but we hungry) gaat er nog overheen met “A hungry man is an angry man”. Kant 1 van de lp sluit af met het het bijna bevrijdende en met stormachtig gejuich begroete Lively up Yourself. Kant 2 beging met de fantastische uitvoering van No Woman, No Cry, grandioos gezongen , een uitvoering die de studiouitvoering naar de vergetelheid heeft verbannen. In de toen al door Clapton gecoverde Marley-song I shot the Sheriff schitteren de I-Threes en het rebelse Get Up, Stand Up is de waardige afsluiter, een van de grote protestsongs uit de muziekgeschiedenis. De zang van Marley, de dialoog met de I-Threes, de reggae-ritmesectie, het pompende orgel- en fraaie gitaarspel, de respons vanuit het publiek: het klopt, het swingt en vibreert.

Meer dan 36 jaar na verschijnen heeft dit album je van de eerste tot de laatste seconde in zijn ban, je wordt meegezogen in de elektrische sfeer van die avond in het Lyceum. 36 jaar, dat is ook de veel te jonge leeftijd waarop Bob Marley gestorven is. In Afrika is en blijft hij de grootste muzikant aller tijden, zoals ik zelf in Zuid-Afrika heb kunnen constateren. Daar hangen in de townships en in de marktkramen overal de rastavlaggen met zijn afbeelding. One good thing about music, when it hits you feel no pain. So hit me with music., brutalize me with music.

zondag 27 november 2011

Zappa-The Grand Wazoo. Composities en instrumentatie die blijven verrassen


De vraag is niet of er in mijn lijst met de tien beste cd’s aller tijden één van Zappa zit, de vraag is of het er maar één zal zijn en welke dan. Eigenlijk zou ik tien Zappa-cd’s in de lijst willen zetten, maar dat is te flauw. Sinds ongeveer 1970 ben ik gek van Zappa en dat ben ik tot op de dag van vandaag gebleven. Voor mij is Zappa een van de grootste componisten die er ooit op de wereld rond hebben gelopen. En in de twintigste eeuw hors categorie.

Het begon voor mij toen mijn schoolvriend Ger Tempel me rond 1969-1970 Absolutely Free liet horen, met prachtige nummers als Plastic People, Duke of Prunes en Brown Shoes Don’t Make It. En bovenal met America Drinks and Goes Home, een bijna documentaire pastiche van een optreden in een tweederangs horecagelegenheid., compleet met kassageluiden en gerinkel van glaswerk. De eerste Zappa-platen die ik zelf had waren (geloof ik, ik heb het niet helemaal scherp meer) Fillmore East June 1970 en Hot Rats. Tot eind jaren zeventig kocht ik alles en draaiden we de platen grijs, bij mij en bij vrienden thuis; in Hattem; op het Veemarktplein. En ook op de Delftse Van Leeuwenhoeksingel bij neef Willem: Peter en ik kwamen daar een keer met de Puchs, op het balkonnetje luisterden we naar Over-Nite Sensation). Daarna ontdekte ik met de opkomst van de new-wave andere muziek en werd Zappa muzikaal ook minder interessant, minder experimenteel, harder, tekstueel een herhaling van seksuele zetten. Waar Joe’s Garage de doorbraak naar een groter publiek was, haakte ik juist af. Eind jaren tachtig pikte ik het weer op. In mijn kast staan meer dan 50 Zappa-cd’s. Ik zag hem vier keer live, zag drie keer zijn zoon Dweezil met Zappa Plays Zappa en bezoek regelmatig andere Zappa-events (Metropole Orkest, Doelenensemble, coverbands).

Op de website www.zappa.com wordt Zappa neergezet als American composer. Een zeer goede karakterisering: Zappa verwerkte alle muzikale invloeden die hij hoorde in Amerika, van rhytm and blues, doo-wop, modern klassiek tot jazz en gaf in zijn teksten commentaar op alle ontwikkelingen in de Amerikaanse samenleving en cultuur. Amerika was kortom zijn referentiepunt.

Het werk is uit duizenden herkenbaar, volstrekt uniek. De magnifieke composities, de tempowisselingen, de ritmische complexiteit, de grote rol van percussie, het grootse gitaarspel, de fantastische muzikanten, het metrum van de teksten, de overgangen: het is onmiskenbaar Zappa.

Ik vind zelfs de nummers of albums die ik niet zo waardeer interessant, omdat ze onderdeel zijn van één grote compositie, er wordt steeds vooruit- en teruggewezen en geciteerd. Wanneer je wilt kun je op internet hele dagen daarover lezen en anders pak je Ben Watson’s meer dan 600 pagina’s dikke analyse Frank Zappa and the Negative Dialectics of Poodle Play. De teller van het het officiële oeuvre zelf staat sinds deze week met alle posthume uitgaven op 100 cd-titels.

Wanneer ik moet kiezen wat de beste cd is dan moet ik kiezen uit een stuk of tien favorieten, chronologisch:

- Uncle Meat, het meest experimentele album van de vroege Zappa, ongelofelijk hoe complex de opnames zijn voor die tijd. Bevat klassiekers als het titelnummer, Dog Breath en King Kong. Plus een experimentele gitaarsolo, Nine Types of Industrial Pollution.

- Hot Rats, composities met een jazz-combo, een “movie for your ears”, met Peaches en Regalia als een van de allermooiste nummers aller tijden en de zang van Beefheart en de minutenlange gitaarsolo zonder pauze van Zappa op Willie the Pimp;

- Waka/Jawaka, na Hot Rats het tweede jazz-achtige album, nu met big band, met het titelnummer en Big Swifty twee werkelijk hemelse composities, helaas staan er twee mindere opvullers op, die qua stijl afwijken;

- The Grand Wazoo, zelfde genre als Waka/Jawaka, maar met vijf composities die allemaal vijf sterren zijn. Een album dat bij het grote publiek niet bekend is, maar bij de Zappa-fans zeer geliefd;

- Over-Nite Sensation, de overgang naar een meer rockachtig idioom en een groter publiek, maar dan gespeeld door een band met jazz, Zappa’s beste band met keyboardspeler George Duke, de onvoorstelbaar vlugge Ruth Underwood op percussie, Bruce Fowler op trombone en Jean-Luc Ponty op viool.

- Roxy and Elsewhere, een live-registratie van deze band, met zanger Napoleon Murphy Brock, duizenlingwekkende duetten met Ruth Underwood op Don’t You Ever Wash that Thing/Echidna’s Arf en dubbel drumwerk van Ralph Humphrey en Chester Thompson

- You Can’t Do That on Stage Anymore Volume 2, een dubbel-cd met een optreden uit Helsinki ui 1974, zes dagen voordat wij (onder meer Peter, Willem en ik) Zappa in Ahoy zagen op 28 september 1974 in een onvergetelijk concert, deels ook weer heel anders dan het Helsinki-concert); dezelfde band als Roxy na een jaar optreden, nog sneller, nog virtuozer, helaas is de cd van iets mindere geluidskwaliteit.

- One Size Fits All, voor veel fans de allerbeste titel, al is het maar omdat Inca Roads erop staat, een hoogtepunt uit het totale oeuvre, met glansrollen voor Napoleon, Duke en Ruth. Bevat naast andere hoogtepunten (Florentine Pogen, Sofa, Andy, San Berdino) jammer genoeg ook een paar minder sterke nummers (Pojama People).

- Sleep Dirt, in de orginele versie het enige geheel instrumentale album, met een fantastisch gitaar/basduet in het titelnummer, de fanfareachtige opener Re-gyptian Strut en het gitaargeweld op Filthy habits.

- The Yellow Shark, gespeeld door het klassieke Ensemble Modern, met Zappa als dirigent in het jaar voor zijn dood in 1993, met juweeltjes als Meat/Dog, Outrage at Valdez en G-spot Tornado.

Wanneer ik met het pistool op de borst moet kiezen dan gaat het tussen The Grand Wazoo en Over-Nite Sensation. Na elkaar verschenen in 1972 en 1973, maar verschillend als dag en nacht. De overeenkomst: het zijn allebei Zappa-albums zonder enige zwakke plek.

The Grand Wazoo de beste jazz-rockfusion ooit, mooier nog dan Miles Davis’ Bitches Brew of Tale Spinnin’ van Weather Report. Zappa maakte Waka/Jawaka en The Grand Wazoo toen hij bij een optreden gewond was geraakt toen hij door een toeschouwer werd aangevallen en naar beneden viel. Hij kon niet optreden en schreef geweldige composities, die uitgevoerd werden in grote bezetting met veel blaasinstrumenten. Magistraal gearrangeerd, geproduceerd en gemixt ook, je kunt naar elk instrument afzonderlijk luisteren en je hoort steeds iets anders, bubbelen, bruisen, tingelen, swingen. Het drumwerk van Ainsley Dunbar op deze twee albums is niet te geloven, het is één grote drumsolo die het geheel voortstuwt. Het lange titelnummer met zijn schitterende hoofdthema; For Calvin (and Next Hitchhikers), absurde tekst, absurde loopjes; het surrealistische Cleetus-Awreetus-Awrightus, gezongen alsof je onder de douche een instrument nazingt; Eat that Question met een ontketende funky George Duke op elektriche piano, de ontroerende lyrische ballad Blessef Relief met een glansrol voor trompettist Sal Marquez. Het zijn ingewikkelde, volstrekt uitgedachte composities, maar ze worden bijna geïmproviseerd gespeeld.

Hoe goed de CD is blijkt ook uit de live-opnames van nummers van Waka/Jawaka en The Grand Wazoo die onder de titel Wazoo in 2007 werd uitgebracht: het is onvoorstelbaar hoe goed de composities live worden gespeeld, maar het geluid, de mix, de productie, de arrangementen zijn allemaal een stuk minder.

Het andere, Over-Nite Sensation op het oog meer mainstreamrock dan al het eerdere Zappa-werk, maar met zeven topnummers en geweldige muzikanten (daaronder ook Tina Turner en haar Ikettes in het achtergrondkoor op Dinah-Moe Humm, maar dat mocht niet bekend worden). Ook hier: strak en toch los, zonder zwakke plekken. Camarillo Brillo, I’m the Slime, Dirty Love, Fifty-Fifty, Zomby Woof, Dinah-Moe Humm, Montana: het werden allemaal klassiekers uit de live-shows van Zappa met hun dubbelzinnige dan wel explixciet seksuele teksten.. Voor mij zijn de hoogtepunten Fifty-Fifty (knettergekke absurde zang van Ricky Lancelotti, solo’s van orgel, viool en gitaar) en de fascinerende compositie Zomby Woof. De solo’s van Zappa op dit album en de daarop volgende tot en met Sheik Yer Bouti zijn fantastisch: scherp, krachtig en puntig.

Nog een keer kiezen met het pistool op de borst? Dan wordt het toch The Grand Wazoo, waarin ik steeds nieuwe dingen blijf horen en waarvan de combinatie van de volle big-bandsound met de afzonderlijke instrumentale partijnen in verbluffende composities het grote geheim is.

Ik laat nu maar een Italiaanse fan aan het woord uit een recensie op amazon.com:

1 Grand wazoo
Incredibly catching fusion of styles. Extremely melodic and groovin. Everything is here. This tune is exceptional. Some called it the Zappa's answear to Miles "So what", but this is a lot more than a D pedal (maybe was "Blessed relief"? the answear ... I don't know but who cares?). Sure it is a modal tune (Frank hated chord progressions to solo over, he liked modal vamps only) but there's more here as I told you. The theme, the rhythmn and the orchestration parts are far more elaborated and solos are no less fantastic than the "So what" excursions by Trane, Cannoball, Bill Evans and Miles. The bridges are equally superlative. I mean. This is one of my all time favourite tunes. ALL TIME FAVOURITE. The trombone solo here is something UNFORGETTABLE. Pure splendid jazz! And behind you can hear the orchestra pumping, growling, roaring wanting to come up front.

2 For Calvin
Pure Zappa's extravaganza. In the melody, harmony and orchestration. It starts weird and ends weirder. If you are not accustomed to strange harmonies and melodies this one can shock you a little bit. Anyway Zappa's awkward but splendid sense of melody and atmospheres is very clear here. The tune swings slow like a broken toy, or a broken watch ... at a certain point there are dissonations going on, you may think you don't know were you are, then a siren shout! These moments of entropy, of chaos are sublime, I swear, sublime. The drums is still alive behind, giving the pulse, confirming that the tune is not dead yet. Slowly we go on, following the trombone and the trumbet which are saying strange things, than the tune accelerate, you are completly disorientated .... than a genial absolutly genial orchestrated bridge part arrive!! I mean this is Zappa at his very weird best. Another crescendo! The tune comes to the end.

3 Cletus
A strange very melodical romp begins at the end of Calvin's song, it's Cletus. And here we are again with Frank's melodical genius. Piano is up front here. Than strange voices take the first places. It's delightful. Something that you can't miss. Its pure ingenuity is something marvellous which only a true pure genius can communicate without sounding childish.

4 Eat that question
George Duke steals the show here. This is quite an unbelievable tune. This is fantastic. A funky fist in your face, the more challenging tune of the album from a technical standpoint. The melody is perfect, catching, hard, a really fantastic riff played in unison by the electric piano and the guitar. The rhythmn section works effortlessy on this hard funky vamp. Everything flows easy and hard at the same time. Duke's solos on the Fender Rhodes range among the very best jazz stuff I have ever heard (I own and Know thousands Jazz records). The energy of this tune is so dramatic! Exceptional. What a band! When you think the tune is over the theme returns harder than ever. Wow! It leaves you speechless! What an orchestrated riff! I mean. No words here. THIS IS PERFECTION IN MUSIC! (Frank's fuzz guitar tone here is expecially cool too).

5 Blessed relief
This tune closes one of Zappa's greatest achievement. Blessed relief is a calm, soft, delicate tune, unforgettable. It begins as a dreamy ballad but then evolve in a magic melodic line and after that in an unbelievable spotlight for the soloists. When the theme, the melodic line returns you wonder where you have been in the last minutes. Away. Lost in a beautiful dream.

woensdag 19 oktober 2011

PJ Harvey, Let England Shake: ontroerend kunstwerk tegen de oorlog

Eigenlijk, kan het niet, een album uit 2011 in je top-10-aller-tijden zetten. Een album heeft immers tijd nodig om te beklijven, om zijn plaats in de muziekgeschiedenis te verwerven. Sommige albums en artiesten lijken jaren geweldig, maar verliezen in de loop van de jaren zonder dat je het merkt hun urgentie en uitzonderlijkheid. Dat gevoel heb ik bijvoorbeeld bij Bowie, Roxy Music en Talking Heads. Het kan niet, een album uit 2011, maar ik maak toch een uitzondering:voor PJ Harveys Let England Shake.

Het is het tiende album van PJ Harvey. Ik had nog nooit iets van haar gehoord, maar las een recensie van Let England Shake die me aansprak en nieuwsgierig maakte. Op Spotify hoorde ik een aantal nummers, kreeg kippenvel vanaf de eerste noten vanaf de opening en kocht de CD, een van de beste beslissingen die ik in 2011 genomen heb.

Let England Shake is niet zomaar een album met mooie liedjes, maar een met de grootste zorgvuldigheid samengesteld conceptalbum. De sublieme, poëtische teksten gaan allemaal over de ellende van de oorlog (specifiek de Eerste Wereldoorlog en de huidige oorlogen van het Westen in Irak en Afghanistan), afgezet tegen het beeld van haar geliefde, romantische Merry England. PJ Harvey deed research, liet zich inspireren door Pinter, Eliot, Dali, Goya, Doors, Pogues en Velvet Underground en deed tweeënhalf jaar over het schrijven van het album. Ze schreef eerst de teksten en daarna de muziek. Voor de zang koos ze voor een hoge stem, die nogal afwijkt van veel van haar andere werk.: “I couldn”t sing in a rich strong mature voice without it sounding completely wrong. So I had to slowly find the voice, and this voice started to develop, almost taking on the role of a narrator”.

Het album werd in ruim vijf weken tijd opgenomen in een kerk in Dorset, vooral live, met onder meer haar vaste muzikanten John Parish and Mick Harvey. De sound van gitaren, saxofoon, keyboards, bas en drums is subtiel en beheerst, bedoeld om de teksten en de melodieën volledig tot hun recht te laten komen. Speciaal wordt het geluid door de autoharp die PJ Harvey op een aantal nummers bespeelt. Samen met de fotograaf Seamus Murphy, bekend van werk uit Afghanistan, maakte ze video’s bij elk nummer, die op You Tube te vinden zijn en illustreren dat we hier met een doordacht kunstwerk te maken hebben. In New Musical Express schreef Mike Williams dat Francis Ford Copolla dé oorlogsfilm maakte, Hemingway dé oorlogsroman en PJ Harvey hét oorlogsalbum. Het is een album waarin alles klopt: de teksten, de zang, de melodieën, de instrumenten, de sound, de volgorde.

Let England Shake kent een verpletterend eerste deel, een rustiger middendeel en een meeslepend , intens, ingetogen slotdeel. Het album begint met het titelnummer, een hypnotiserende melodie, gedragen door autoharp en xylofoon. De openingsregels hakken er meteen in:

The West’s asleep. Let England shake,

Weighted down with silent dead.

I fear our blood won’t rise again

Het tweede nummer, The Last Living Rose, gaat over Engeland:

Let me watch night fall on the river

The moon rise up and turn to silver,

The sky move,

The ocean shimmer,

The hedge shake,

Tle last living rose quiver

The glorious land begint met de oorlogsreveille Regimental March en de Police-sample The Bed’s Too Big Without You en is een onvergetelijke, magistraal gezongen aanklacht tegen de oorlog, met herhaalde uitroepen Oh America, Oh England tussen de coupletten door en een geweldige gitaarjengel:

How is our glorious country ploughed?

Not by iron ploughs;

Our land is ploughed by tanks and feet marching

(….)

And what is the glorious fruit of our land?

Its fruit is deformed children.

What is the glorious fruit of our land?

Its fruit is orphaned children.

Onmiddellijk volgt het absolute hoogtepunt, het vierde nummer, The Words that Maketh Murder, ik denk het mooiste anti-oorlogsnummer ooit:

I have seen and done things I want to forget;

Soldiers fell like lumps of meat

Blown and shot out beyond belief;

Arms and legs were in the trees.

(…)

I have see things and one things I want to forget;

A Corporal, who’s nerves were shot;

Climbing beind a fiece, gone sun,

Flies swearming everyone,

Death lingering, stunk,

Over the whole summit peak,

Flesh quivering in the heat.

This was something else again.

I fear it cannot be explained.

The words that maketh murder.

Woorden die extra kracht krijgen door de slotzinnen” What if my take my problem to the United Nations? En dat op de melodie van Summertime Blues van Eddie Cochran..

Na die serie van vier prachtnummers snapt PJ Harvey dat de luisteraars naar adem happen en neemt ze wat gas terug met All and Everyone, On Battleship Hill, England, In the Dark Places en Bitter Branches. Allemaal fraai, maar net iets minder dan de openingsserie.

Het ingetogen drieluik waarmee het album afsluit is een fraaie apotheose. Het heel subtiele , zacht gezongen Hanging in the Wire, met Mick Harvey als tweede stem en een prachtige pianopartij. Written on the Forehead, met een sample van het rapnummer Blood and Fire, ook zo ingetogen , met een schitterende melodie, over mensen die een stad proberen te ontvluchten en de herhaalde slotzin Let it burn, let it burn. Het meerstemmige, ontroerende slotstatement Colour of the Earth, met de tekst die hele album samenvat:

Louis was my dearest friend

Fighting in the Anzac trench.

Louis ran forward from the line,

And I never saw him again.

(…)

If I was asked to tell

The colour of the earth that day;

It was dull, and browny-red,

“the colour of blood” I’d say.

De tijd zal leren of mijn oordeel stand houdt, maar ik vind Let England Shake een creatieve schepping van grootse schoonheid en het belangrijkste geëngageerde kunstzinnige statement van het nieuwe millenium.

51MyPsncYgL._SL500_AA300_.jpg

maandag 12 september 2011

Een perfecte titel en een perfecte hoes bij een schitterende compilatie townshippop

THE INDESTRUCTIBLE BEAT OF SOWETO – VARIOUS ARTISTS (1985)

In mijn lijst met tien beste albums aller tijden moet ook een Afrikaanse titel zitten. Sinds een kwart eeuw heeft de Afrikaanse muziek een warme plek in mijn hart gekregen en heb ik een mooie collectie Afrikaanse en meer in het bijzonder Zuidafrikaanse muziek opgebouwd. Het is voor mij geen exotische wereldmuziek van arme drommels uit een verloren continent, maar stedelijke popmuziek die swingender, vrolijker, doorleefder, muzikaler en urgenter is dan bijna alle moderne westerse pop.

Mijn ontdekkingsreis begon in dit geval met neef Peter, die me kennis liet maken met de muziek van King Sunny Ade en Franco et le TPOK Jazz. Ik herinner me dat we op het Veemarktplein begin jaren tachtig ’s nachts keken naar een optreden van King Sunny bij Rockpalast: lange nummers, met prachtige gitaren en percussie. Het was fascinerend en het was wennen, het muzikale idioom was zo verschillend van wat ik gewend was. Alleen de Talking Heads waren in die jaren al bezig Afrikaanse invloeden in hun muziek te verwerken – echte voorlopers in dat opzicht.

Mijn eerste eigen Afrikaanse lp was The Indestructible Beat of Soweto, een verzameling van Zuidafrikaanse townshippop uit de eerste helft van de jaren tachtig, verschenen in 1985. Ik kreeg de plaat van mijn vriend Hugo voor mijn verjaardag. Al een kwart eeuw lang ben ik gek van deze compilatie – vandaar de keuze.

Een keuze die nog niet zo makkelijk was, gezien de onvoorstelbare hoeveelheid goede muziek er uit Afrika komt. The Indestructible Beat of Soweto moest concurreren met een serie andere prachtige albums, de meeste uit de toplanden Mali, Senegal en mijjn geliefde Zuid-Afrika. Elke plaat uit het oeuvre van Youssou N’dour, de nachtegaal van Senegal, verdient een plek in de top tien. Het oude en het nieuwe werk van Orchestra Baobab swingt en spettert met een relaxte nonchalance uit je boxen. Cheikh Lo maakte vorig jaar met Yamm een wereldplaat. De woestijnblues van Tinariwen is een klasse apart, alsof je midden in een bedoeïenentent in de woestijn Hendrix hoort gieren. De gitaarblues van Ali Farka Touré en de kora van Toumani Diabaté op hun soloalbums en hun gemeenschappelijke platen zijn van een meditatieve, bezwerende schoonheid , de vaak eeuwenoude composities benaderen de tijdloze genialiteit van Bach. Het blinde echtpaar Amadou en Mariam maakte met Dimache a Bamako en Welcome to Mali grootsteedse pop-cd’s van topkwaliteit. De Zuidafrikaanse jazzpianist Abdullah Ibrahim is een andere favoriet, met zijn subtiele pianojazz vol Afrikaanse invloeden. Zijn Cape Town Revisited kreeg ik van vriend Mark uit Zuid-Afrika, een cadeau voor het leven. Busi Mhlongo’s Urban Zulu is magistrale pop met invloeden van traditionele muziek; ik zag haar in Zoetermeer in het gezelschap van onze Zuidafrikaanse studente Zola. Busi, vorig jaar overleden, begroette Audry en mij meteen met een Zuidafrikaanse hug toen ze dag dat we een landgenote hadden meegenomen.

Toch is The Indestructible Beat of Soweto voor mij het allermooiste Afrikaanse album. De Zuidafrikaanse muzikale traditie is enorm rijk en divers, de traditionele muziek mengde hier met alle soorten westerse muziek. Zo ontwikkelde zich een rijke en levende traditie van specifieke Zuidafrikaanse (township)jazz. Met de opkomst van de popmuziek ontstond ook daarvan een zwarte Zuidafrikaanse townshipvariant, de mbaqanga. The Indestructible Beat bevat opnamen van de belangrijkste vertegenwoordigers van deze stijl uit de eerste helft van de jaren tachtig, samengesteld door de blanke Zuidafrikaanse emigranten Trevor Herman en Jumbo van Renen. Het is een stijl die nu helaas niet meer bestaat en is opgevolgd door de kwaito, de keiharde Zuidafrikaanse versie van de house; wat mij betreft geen vooruitgang.

De plaat bevat twaalf nummers van 9 groepen. De echte kenners zeggen dat er vier substijlen op de plaat te horen zijn: mbaqanga, mqashiyo, maskanda, and isicathamiya, de ene moderner, de andere meer traditioneel. Sommige artiesten hebben namen die niet te onthouden zijn: Nganezlyamfisa No Khambalomvaleliso, Udokotela Shange Namajaha. – De fantastische groep die hier figureert als Mahlathini Nezintombi Zomgqashiyo and the Makgona Tsohle Band werd in Europa enigszins bekend als Mahlatini and the Mahotella Queens. De enige echt bekende groep is Ladysmith Black Mambazo, juist, die van Paul Simons Graceland van een jaar later. Zij verzorgen het a-capella slotnummer, het meest traditionele en in die zin atypische nummer van de plaat.

Mahlatini (de leeuw van Soweto) zingt net als de meeste andere zangers in groan-stijl, een diepe, bijna dierlijke brulstijl, herkenbaar uit duizenden. We horen nummers die gaan over het dagelijks leven op het land en in de townships ten tijde van de nadagen van de apartheid. Accordeons, violen, orgels, swingende gitaren en een kraaiende haan begeleiden de zang op een voortdurend stuwende basis van bas en drums. Het ene nummer is nog mooier dan het andere en ze volgen elkaar in een prachtige volgorde op.

Er zijn veel andere mooie compilaties van Zuidafrikaanse townshipmuziek, maar de meeste kenners zijn het erover eens dat The Indestructible Beat of Soweto de allerbeste is. Een jaar later werd Graceland een wereldhit (en terecht - Paul Simon memoreerde laatst in de Vpro-gids dat kinderen van die jaar er nog steeds spontaan op beginnen te dansen); The Indestuctible Beat of Soweto plaveide een jaar eerder de weg voor de fijnproevers. De Amerikaane criticus Robert Christgau noemde het album het belangrijkse van de jaren tachtig. Het is muziek uit de walgelijke apartheidssamenleving, muziek die desondanks onweerstaanbaar vitaal, vrolijk en swingend is. De hoes geeft dat gevoel van die onweerstaanbare beat ook nog eens perfect weer. En de keren dat ik in Zuid-Afrika was, zoals afgelopen zomer, voelde ik die sfeer weer, dat warme bad, die onverwoestbare levenslustige beat.

PS – De vinyplaat heb ik ooit opgeruimd toen ik een cd gebrand heb van het album. Bij het schrijven van dit stuk kwam ik erachter dat die cd door de ouderdom ihmiddels beschadigd was. Gelukkig is hij nog nieuw te krijgen op het label Sterns/Earthworks. Op Spotify kun je het album ook vinden en er vrijblijvend naar luisteren.


woensdag 13 juli 2011

Been weg. En wat nu?

Het vertrek van Mario Been bij Feyenoord komt voor mij niet als een verrassing. In mijn blog van eind mei schreef ik dat hij Feyenoord niet beter heeft gemaakt en dat de betere spelers twijfelden aan langer blijven bij Feyenoord, omdat ze voelden dat ze daar sportief niet beter van zouden worden. Wijnaldums vertrek naar PSV en Fers wens om naar Twente te gaan (allebei Nederlandse clubs dus) zijn daar nu een duidelijk bewijs van. Zaterdag zag ik Feyenoord bij Vitesse Delft een draak van een wedstrijd spelen en niet voor niets was het Vlaar die daar openlijk zijn onvrede over uitsprak. Been vond daarentegen dat hij goede dingen had gezien, maar dat er alleen teveel kansen waren gemist.

Dat nu zoveel spelers het niet meer in Been zien zitten is wel opmerkelijk. Het versterkt het beeld van een voorbereiding die nog nooit zo onrustig is geweest. Supporters van de Varkenoordgroep (75 mensen van supportersvereniging, websites etc.) hebben het vertrouwen in de directie opgezegd en eisen het vertrek van zo'n beetje iedereen (behalve Van Geel). Hun kritiek is in mijn ogen een mengeling van juiste constateringen , verkeerde interpretaties en halve leugens. Men presenteert als groot nieuws dat Pim Bloklands kapitaalinjectie in feite een omzetting van schulden in aandelen is. Maar maanden geleden is dat in de voetbalpraatprogramma's op de televisie al haarfijn uit de doeken gedaan. Iedereen wegsturen heeft volgens mij geen zin. En het is volstrekt onduidelijk welke vervangers de Varkenoordgroep op het oog heeft - de namen kunnen en willen ze uit privacyoverwegingen niet geven. Als supporters moeten we er blijkbaar maar van uitgaan dat een anonieme groep supporters het goed met de club voor heeft en wel goede mensen uit de mouw kan schudden. Over transparantie gesproken...

Wat we de leiding van Feyenoord zeker mogen aanrekenen is dat ze de zaak voetbaltechnisch veel te veel op zijn beloop heeft gelaten, met als resultaat een schandalige eindklassering. Waarschijnlijk durfde men Been vanwege de financiële consequenties niet te ontslaan. Zachte heelmeesters maken stinkende wonden, want nu zit men vlak voor het nieuwe seizoen zonder trainer. En geeft van Geel de schuld aan de spelers. Spelers die trouwens blijkbaar tegen Been nooit recht in zijn gezicht hebben gezegd wat hen niet beviel. Deze spelersgroep heeft weinig recht van spreken, maar niemand anders binnen Feyenoord nam het initiatief.

Feyenoord heeft nu behoefte aan een tactisch sterke trainer die jonge spelers beter kan maken. Liefst juist niet iemand met een te lang en uitgesproken Feyenoordverleden. Elke bekende Feyenoorder heeft vrienden en vijanden en wordt meegetrokken in een bijna niet te volgen spel om de macht. Een trainer van buiten met veel bewegingsvrijheid kan nu het meest bereiken. Het is jammer dat Co Adriaanse niet vrij is. Ook een terugkeer van Erwin Koeman, die nu bij Utrecht begint, was een goede optie geweest, achteraf gezien heeft hij een topprestatie geleverd. Een ideale kandidaat die vrij is kan ik zo meteen helaas niet bedenken. Daarnaast zou Van Geel als sterke man naar buiten moeten treden, zodat Gudde een stap terug kan doen. In de Raad van Commisarissen zou ik dolgraag Boudewijn Poelmann terug zien, een echte leider met visie.

donderdag 7 juli 2011

Een wonderbaarlijk kleinood van twee zingende zussen. Kate and Anna McGarrigle (1975)

Op 18 januari 2010 overleed de Canadese zangeres Kate McGarrigle, een feit dat in de Nederlandse pers slechts beperkte aandacht kreeg. Kate was ooit getrouwd met Loudon Wainwright III en de moeder van Rufus en Martha Wainwright. Als artiest vormde ze een duo met haar zus Anna. Ze maakten samen tien albums, waarvan het eerste, titelloze debuutalbum uit 1975 zeer goed werd ontvangen en als een absoluut meesterwerk is blijven gelden. Dit jaar kwam dat debuutalbum samen met de opvolger Dancer with Bruised Knees en een derde cd met niet-eerder uitgebrachte demo’s en nieuwe songs opnieuw uit als 3-disc Tell My Sister. Dancer with Bruised Knees is ook prachtig, met als hoogtepunten het titelnummer, Be My Baby, Hommage a Grungie en vooral Kitty Come Home. De bonus-cd bevat enkele nieuwe juweeltjes, zoals The Work Song, Saratoga Summer Song en Annie. Het latere werk ken ik niet, behalve French Record (met Franstalige nummers) en The McGarrigleHour (de hele familie rond het kampvuur); volgens de critici hebben de zusters nooit meer het niveau van de eerste twee albums weten te evenaren.

Aan het debuutalbum heb ik mijn hart verpand, ik vind het een wonderbaarlijk kleinood. Ik leerde de zusters kennen door het bekende hitje Complainte pour St. Cathérine, een door de accordeon en de magnifieke samenhang van de twee zussen voortgestuwd Franstalig lied. Eigenlijk een volstrekt uniek nummer, nergens anders mee te vergelijken. Het heeft altijd een speciaal plekje in mijn hart gehouden en ergens begin jaren negentig heb ik het singletje gekocht aan de Utrechtse Oudegracht, vlakbij de Lange Lauwerstraat. De cd heb ik een jaar of tien terug gekopieerd uit de Delftse discotheek, toen ik het album steeds vaker genoemd zag worden als meesterwerk.

En een meesterwerk is het, 35 minuten lang, twaalf prachtsongs, hoofdzakelijk geschreven door de zusters, met een originele instrumentatie (veel piano, orgel, accordeon, klarinet, harmonica, banjo, mandoline) en uitstekende sessiemuzikanten (zoals Steve Gadd op drums). Joe Boyd (producer van veel Engelse folkrock) produceerde het album en heeft het voor de heruitgave op Tell My Sister kristalhelder geremastered, waardoor de kwaliteiten nog beter tot zijn recht komen. Het echte wonder van het album is en blijft de betoverende meerstemmige zang van de zussen. Ik ben helemaal geen kenner van de zangkunst en de technische kanten daarvan, maar dat hier iets uitzonderlijks gebeurt is duidelijk.

Kate en Anna groeiden op in Canada, leerden piano spelen bij de nonnen op school en zongen veel samen thuis, ze zijn ook altijd in familieverband gezamenlijk blijven zingen, tot op het sterfbed van Kate. De muziek die ze maken is misschien het beste Canadese folk-rock uit American Songbook het te noemen. De sfeer heeft iets onbestemds, het is geen Engelse folk, maar ook geen Amerikaanse country. De All-Music Guide geeft een hele reeks karakteriseringen van de sfeer op het album, waar ik me (geloof het of niet) goed in kan vinden.ods

Amiable/Good-Natured

Bittersweet

Calm/Peaceful

Earnest

Earthy

Reflective

Sentimental

Sweet

Warm

Exuberant

Romantic

Whimsical

Yearning

Ambitious

Complex

Delicate

Intimate

Organic

Plaintive

Playful

Kate and Anna McGarrigle bevat twee songs waar ik altijd (en dan bedoel ik echt altijd) tranen van in mijn ogen krijg . De eerste is Heart Like aWheel, door Anna geschreven en in 1974 bekend gemaakt door Linda Rondstadt, later door vele anderen gecovered. Een nummer van hartverscheurend liefdesverdriet, met de prachtige opening:

Some say heart is just like a wheel

When you bend it, you cant’ mend it

And my love for you is like a sinking ship

And my heart is on that ship out in mid ocean

Afgesloten met

And it’s only love, and it’s only love

That can wreck a human being and turn him inside out

Ik heb het nummer gehoord op de begrafenis van een Delftse bekende, die ook nog God only Knows van the Beach Boys (voor mij het allermooiste nummer aller tijden), een betoverend stukje Satie, Paolo Conte en Hallelujah van Jeff Buckley liet horen, dat hakte er allemachtig wel in….

Tweede tearjerker is Go Leave, solo gezongen en gespeeld door Kate, ook al groots liefdesverdriet, minimalistisch, met solozang en gitaar. Here they come, here come my tears, en je hoort de tranen op de snaren vallen. Het is mooi gecovered door de klassieke zangeres Anne-Sophie von Otter op het album For the Stars dat Elvis Costello met haar maakte.

Andere liedjes maken me altijd vrolijk, zoals Complainte pour St. Cathérine (dat trouwens gaat over de taalstrijd in Canada), de up-tempo opener Kiss and Say Goodbye (over een vluchtige liefdesontmoeting) en het slotnummer Travelling on With Jesus (bewerking van een traditionele opwekkingsspiritual).

My Town en (Talk to me of) Mendocino zijn meer bespiegelende, licht-melancholische nummers, Blues in D is een verhalende song in jazz-bluesidioom met een prachtige klarinetpartij op de achtergrond, Foolish You, Tell My Sister en Swimming Song neigen weer meer naar het vrolijke en nodigen uit tot meezingen, alsof je rond een kampvuur zit.

De enige song die ik dan nog niet genoemd heb is een van de absolute hoogtepunten, Jigsaw Puzzle of Life, vrolijke melancholie, met de poëtische prachtvondst:

We were like interlocking pieces in the Jigsaw Puzzle of Life.

Een prachtige zin in een fantastisch nummer van een wonderbaarlijk mooie plaat.

zondag 12 juni 2011

Marvin Gaye-What's going on (1971), steeds beter en beter

Samen met neven Peter en Willem en hun zwager Ad schrijf ik over mijn tien beste CD's aller tijden. Hieronder volgt mijn eerste inzending.

In Nederland wordt Marvin Gaye nog altijd ondergewaardeerd, zoals eigenlijk alle grote zwarte artiesten, van Youssou N’dour tot Bob Marley. Ze worden hoogstens gezien als topvertegenwoordiger van een genre. Dan is Miles Davis niet meer dan een jazzmuzikant/trompettist en is Jimi Hendrix de beste gitarist en niet meer dan dat. Bij Marvin Gaye denken de meeste mensen hoogstens aan de - inderdaad - geile clip van Sexual Healing en misschien aan de documentaire over de eenzame Gaye in Oostende en aan het bericht dat zijn vader hem in 1984 doodschoot. Schrale troost is dat Matthijs van Nieuwkerk het titelnummer van What’s Going on naar een 268ste plek in de Top Tweeduizend – dat levende bewijs van provinciaalse onderschatting van de zwarte muziek - heeft gepraat.

In bijna alle lijstjes van de beste albums aller tijden staat What’s going on, het meesterwerk van Marvin Gaye uit 1971, ondertussen in de top 10. Gewoon tussen de grote LP’s van de Beatles, de Stones, Pet Sounds van de Beach Boys en Dylan. De OOR-redactie zette hem onlangs in het kader van veertig jaar OOR op vier, de lezers op acht. Met neef Peter lach ik ook graag om lijstjes, maar soms kun je er ook muziek door ontdekken. Toen ik What’s going on steeds terug zag komen op de lijstjes heb ik het een keer aangeschaft. Ik denk in 1999, toen het bij een recensentenverkiezing bij the Guardian/Observer zelfs tot beste album van de twintigste eeuw werd gekozen. Sinds die tijd is het een van de CD’s die ik het vaakst opzet en met elke “draaibeurt” wordt What’s Going on nog steeds beter. Daarmee hoort het voor mij beslist tot mijn top 10 aller tijden; want daarin horen geen platen die je vooral waardeert om herinneringen aan vroeger en die herinneringen ook oproepen, maar albums die muzikaal steeds nieuwe wonderen openbaren, die blijven groeien en verrassen.

Natuurlijk kende ik Marvin Gaye al lang, van hitsingles uit mijn jeugd als het onverwoestbare I heard it trough the Grape Vine. Ik heb ook altijd van Motown gehouden, maar soul als genre was natuurlijk niet onze subcultuur. Soul was voor de soulkikkers met hun wijde pijpen en hun Kreidlers en Zündapps. Toen ik in Utrecht woonde kocht of kreeg ik de elpee Midnight Love (met Sexual Healing en het nog zwoelere Turn on Some Music), een schitterend sensueel werk met een prachtige sound. Daarna was ik Gaye-fan en volgden nog wat titels, maar aan What’s going on was ik nog niet toegekomen. Ik kende ook niemand die het album wel had.

What’s going on brak met het strakke Motown-formaat van de single van nog geen drie minuten met het patroon van coupletten, refreinen en brug. Daardoor raakte Gaye in conflict met Motown-baas en zwager Berry Gordy Jr. What’s going on is namelijk een conceptalbum, met negen songs die schitterend in elkaar overgaan, met het titelnummer als opener en Inner City Blues als afsluiter. Ze vertellen het verhaal van een Vietnam-veteraan, die terugkomt in Amerika, met zijn ghetto’s, drugs, in elkaar geslagen anti-oorlogsdemonstraties en milieuproblemen (het subliem gezongen Oh Mercy, mercy me).

What’s going on is daarom een emancipatoir album, waarmee de artiest Marvin Gaye zijn vrijheid veroverde op een commerciële platenmaatschappij en inhoudelijk één van de echte protestalbums van the sixties en seventies. Een album dat als conceptalbum ook nu nog staat als een huis, terwijl de in die tijd populaire conceptalbums achteraf vaak niet het beste werk van een artiest blijken te zijn. Zo vind ik Sergeant Pepper als album veel minder dan Revolver of The White Album, is Zappa’s We’ re only in it for the Money binnen zijn oeuvre overschat en heb ik Thick as a Brick en A Passion Play van Jethro Tull al zeker 25 jaar niet meer gedraaid – wat genoeg zegt.

Ook muzikaal is What’s going on baanbrekend, hoewel boordenvol soul is het veel meer dan dat door klassieke strijkarrangementen en jazzy blaaspartijen. We horen een rijk georkestreerd geluid op een voortdurende subtiele swing en daarbovenop het echte wonder van deze plaat, de meervoudige zangpartijen van Marvin Gaye. Op What’s Going on introduceert hij zijn handelsmerk, het zingen van achtergrondpartijen over zijn eigen gouden solozang heen. Met als hoogtepunt de zingende herhalingen van gesproken zinnen in Save the Children. Samen met David Van de Pitte heeft Gaye de plaats gearrangeerd en geproduceerd op een magnifieke manier. Het geluid is vol en open, het klinkt anno 2011 nog alsof het gisteren is opgenomen. Een groot verschil met veel andere albums uit de jaren zestig en zeventig, die vaak gedateerd klinken.

Smokey Robinson zei pas in een Rolling Stone-special over de beste artiesten dat What’s going on nooit gedateerd raakt en dat Gaye hem bij het componeren toevertrouwde dat hij de muziek rechtstreeks van God kreeg.. Elke keer wanneer ik What’s going on opzet ben ik weer verkocht, vanaf het intro is het raak: het ritme, het gesproken What’s happening brother, de scheurende sax van Eli Fountain en het invallen van Marvin met het prachtige eerste couplet:

Mother, mother

There's too many of you crying

Brother, brother, brother

There's far too many of you dying

You know we've got to find a way

To bring some lovin' here today

zondag 29 mei 2011

Mario wil Feyenoord net als Barcelona laten spelen. Goed idee.

Na het zoveelste machtsvertoon van Barcelona gisterenavond met een weergaloze Messi in topvorm is het voetbalseizoen afgelopen. Van Barcelona heb ik keer op keer genoten, aan Feyenoord heb ik me bijna alleen maar geërgerd. Vorige week publiceerde VI interessante statistieken, waaruit blijkt dat Feyenoord gezien de begroting de op een na slechtst presterende ploeg van de eredivsie was afgelopen jaar.

Mario Been is daar wat mij betreft veel te makkelijk mee weggekomen. Hij wil dat Feyenoord net zo speelt als Barcelona. Tsja, dat zou ik ook wel willen. Wat ik zie is echter een ploeg zonder automatismen. Een ploeg waar bijna geen speler beweegt zonder bal. Met een keeper die een minuut doet over een uittrap. Met spelers die een bal breed over tien meter achter de man spelen en dan ook nog met te weinig vaart. Een ploeg zonder leiders, die niet aanvoelt wanneer je gas moet geven of terugnemen, bij de scheidsrechter moet protesteren of eens een kaart moet pakken om de wedstrijd te keren.

De leeftijd van de spelers is te vaak als excuus gebruikt, het beste argument daartegen is dat de kampioensploeg van Ajax nog jonger was. Het is niet eenvoudig voor een jonge ploeg om evenwichtig en stabiel te presteren, maar dit Feyenoord had zoveel talent dat de eindklassering op plaats tien ronduit schandalig is. Dat is Been wel degelijk kwalijk te nemen. Meer en meer stond hij als een gestresst dood vogeltje langs de lijn. Nooit paste hij een wissel toe die de wedstrijd deed kantelen. En altijd zijn het de spelers die de fouten maken - zij gaan achteruit lopen wanneer ze voor staan, alsof het niet de coach is die dat moet voorkomen. Zijn wedstrijdanalyse achteraf is altijd verstandig - hij speelt er alleen zelf nooit een rol in.

Wat Been wel heeft gedaan is goochelen met spelers en opstellingen en daar nooit een goede reden voor geven. Wijnaldum was niet geschikt om als spelmaker te spelen, daarom kocht Bruins maanden falen. Toen was Wijnaldum wel geschikt voor de 10 en mocht Luigi naar de tribune. Nu mag Luigi weg en vind Mario dat jammer, want het is zo'n goede speler. De Cler werd geschoffeerd na de blamage uit bij Excelsior, Been hoefde hem nooit meer te zien, maar de volgende wedstrijd stond meneer weer in de basis. Het grote talent Mokotjo had het gedaan na de uitnederlaag bij Ajax, werd op een zijspoor gezet en vervangen door de veel mindere speler Leerdam. Dezelfde Leerdam hield Fer uit de basis toen die terugkwam na zijn blessure, terwijl Fer de speler was die Mario zei altijd als eerste in te vullen op het wedstrijdformulier. Swerts mocht tot hij geschorst was elke wedstrijd de meest domme fouten maken zonder dat Been ingreep of er iets van zei. Met de keepers heeft Been in twee jaar tijd voortdurend gewisseld. Spelers die er aan het eind van de wedstrijd helemaal doorheen zaten - bij Castaignos elke wedstrijd - werden niet gewisseld en mede daardoor verspeelde Feyenoord veel punten in het laatste kwartier. Er was geen vaste strafschopnemer, zodat we een ruzie tussen Wijnaldum en Bruins zagen en Fer de belangrijke penalty in de bekerwedstrijd tegen Roda technisch nam als een pupil.

Been noemt spelers die onder hem beter zijn geworden. Die zijn er. Vooral Stefan de Vrij ontwikkelt zich spectaculair, het is een kwestie van tijd voordat hij in het Nederlands Elftal speelt. Daar staat echter heel veel tegenover. Been heeft El Ahmadi niet aan het voetballen gekregen, Biseswar pas na anderhalf jaar. Ik heb zo'n idee dat de spelers aanvoelen dat deze trainer Feyenoord als team niet beter maakt. De twijfels die Vlaar, Wijnaldum en Fer hebben bij een langer verblijf in de Kuip wijzen in die richting. Ik ben bang dat ze met hun voeten gaan stemmen en dat Feyenoord het in Beens derde seizoen nog moeilijker krijgt. Ik hoop dat ik ongelijk krijg.

Test

Op deze plaats wil ik regelmatig beschouwende blogs plaatsen over onderwerpen die me bezighouden.