Linksbuiten
zaterdag 12 september 2026
De tragiek van Enest Mandel. Biografie van een spraakmakende revolutionair marxist.
Toen ik in 1977 lid werd van de Vierde Internationale zei de historicus Fritjof Tichelman tegen me: ‘We staan allemaal op de schouders van Ernest.’ Zo voelde dat ook. Binnen de organisatie van Leon Trotski, die tegenover sociaal-democratie en stalinisme het revolutionaire marxisme verdedigde, was Ernest Mandel (1923-1995) de absolute politieke en intellectuele leider. Maar ook buiten de Vierde Internationale was Mandel een gerespecteerde marxist. Daarvoor zorgden zijn welbespraaktheid, enorme eruditie, debatvaardigheid, onbekrompenheid en zijn grote productiviteit. Voor de generatie van mei 1968 ontwikkelde hij zich tot de belangrijkste Europese socialist van na de Tweede Wereldoorlog.
Jan Willem Stutje, die eerder een omvangrijke biografie schreef over de CPN-leider Paul de Groot, schreef een 475 pagina’s dikke biografie over Mandel: *Ernest Mandel. Rebel tussen droom en daad 1923-1995.*¹ Stutje schrijft in zijn voorwoord het leven en werk van Mandel ‘vrank en vrij’ te willen onderzoeken en daarbij te beoordelen ‘wat het waard is om behouden te worden, en wat als achterhaald moet worden verworpen’. Hij besteedt zowel aandacht aan het theoretische werk van Mandel als aan zijn niet aflatende inzet voor de Vierde Internationale; daarbij betrekt hij ‘persoonlijke en emotionele ervaringen van dat leven [die] historisch relevant zijn’. Zijn terechte vertrekpunt is: ‘Mandel behoorde tot het slag socialisten dat in de tweede helft van de twintigste eeuw zeldzaam was geworden. Hij was een theoreticus die zijn wetenschappelijk werk opvatte als deel van zijn revolutionaire activiteit. Een engagement dat hij vanaf zijn vroegste jeugd in het raamwerk van de door Leon Trotsky opgerichte en geïnspireerde Vierde Internationale gestalte gaf’ (p. 10).
HISTORISCH RELEVANTE PERSOONLIJKE GEGEVENS
Voor mensen die het werk van Mandel in de breedte kennen en zelf op enig moment actief waren in de Vierde Internationale, zoals ondergetekende, bevatten vooral de delen over Mandels persoonlijke leven en achtergrond de meeste nieuwe en vaak verrassende gegevens.
Zo typeerde Mandel zichzelf als een ‘Vlaamse internationalist van Joodse herkomst’. Stutje schetst een bijzonder fraai beeld van vader Henri en het milieu waarin Ernest opgroeide, met het vanzelfsprekende geloof in het socialisme en de discussies met politieke vluchtelingen uit Duitsland. Al op vijftienjarige leeftijd sloot Mandel zich aan bij de Vierde Internationale – in 1938, het jaar dat deze officieel werd opgericht. Zo komt Ernest naar voren als iemand die letterlijk opgroeide met de ervaring van 1917, van de Russische revolutie en de hoop en teleurstelling die daarmee verbonden was.
Opmerkelijk is de passage over de eerste keer dat Mandel tijdens de Tweede Wereldoorlog wist vrij te komen uit Duitse gevangenschap. Stutje maakt aannemelijk dat Ernest door zijn vader met een fors bedrag is vrijgekocht en dat Ernests versie dat hij zich uit de Duitse auto kon laten vallen en vluchten op zijn minst niet de hele waarheid was.
Stutje besteedt ruim aandacht aan Mandels vriendschappen met beroemde socialistische activisten en denkers als Roman Rosdolsky, Ernst Bloch, Rudi Dutschke, Che Guevara en Perry Anderson. Binnen het milieu van de Vierde Internationale belicht Stutje de vriendschappen en kameraadschap met Abraham Leon, Ernst Federn, Michael Raptis (Pablo), Sherry Mangan, Charles-André Udry en François Vercammen. Door de beschrijving van deze vriendschappen kleurt Stutje het beeld van het internationale linkse milieu van na de Tweede Wereldoorlog in.
Ook de vrouwen in Mandels leven komen aan bod in Stutjes biografie. Nieuw voor mij was zijn grote liefde voor Micky Traks (eind jaren veertig/begin jaren vijftig), die onbeantwoord bleef en leidde tot zelfbeklag. Tragisch is het beeld van zijn Duitse vrouw Gisela Scholz, met wie hij in 1966 trouwde. Scholz werd ook zeer actief in de Vierde Internationale, maar was depressief en overleed in 1982. Volgens Stutje was Mandel niet in staat gebleken de relatie met Gisela volwassen te maken, hij probeerde in zijn leven het irrationele en gevoelens buiten te sluiten. Ongecompliceerder – maar door de kameraden minder begrepen – was de verhouding met de lerares en pianiste Anne Spimont, met wie hij in 1983 hertrouwde en die tot zijn dood bij hem bleef.
HET WETENSCHAPPELIJKE EN THEORETISCHE WERK
Het werk van Mandel verscheen – en de verleden tijd is hier werkelijk op zijnplaats – in meer dan veertig talen, in oplagen van honderdduizenden exemplaren.
Stutje vat alle belangrijke werken op een toegankelijke en adequate manier samen en plaatst ze in de ontwikkeling van Mandels denken. Belangrijk zijn uiteraard zijn economische hoofdwerken over de marxistische economie (Traité d’Économie Marxiste) en over het kapitalisme na de Tweede Wereldoorlog (Der Spätkapitalismus), de twee grote studies die tevens zijn bekendste werken zijn. Ook de werken over de historische ontwikkeling van het economische denken van Marx (La formation de la pensée économique de Karl Marx), en over de lange golven in de economie (Long Waves of Capitalist Economy) passeren uitgebreid de revue. Gelukkig behandelt Stutje ook de buiten de Vierde Internationale minder bekende, maar minstens even belangrijke politieke werken van Mandel: de diepgravende interviews over de geschiedenis van de arbeidersbeweging en revolutionaire strategie in Revolutionary Marxism Today; de beknopte maar briljante samenvatting van Trotsky’s denken in Trotsky, A Study in the Dynamic of his Thought; de originele en uitgewerkte analyse van oorzaken en verloop van de Tweede Wereldoorlog in The meaning of the Second World War en het scherpe essay The role of the individual in history: the case of World War Two, waarin de rol van het individu in bijzondere situaties in schijnbaar onmarxistische mate benadrukt wordt. Ook het buitenbeentje in Mandels oeuvre, zijn boek over de detective¬roman (Delightful Murder), is niet aan Stutjes aandacht ontsnapt.
De aandacht die Stutje aan de verschillende titels besteedt is over de gehele linie evenwichtig. Vooral het boek en het essay over de Tweede Wereldoorlog krijgen terecht veel aandacht. In deze historische studies toont Mandel een intellectuele rijpheid die niet in al zijn werk aanwezig is. Meer aandacht had Stutje mogen geven aan Mandels studie over de concurrentie tussen de VS en Europa – nog altijd een zeer actueel thema!
DE POLITIEK VAN EN BINNEN DE VIERDE INTERNATIONALE
De uitvoerige passages die Stutje besteedt aan het werk van Mandel binnen de Vierde Internationale, met al zijn ruzies, scheuringen en curieuze randfiguren, is voor niet-ingewijde lezers waarschijnlijk het minst interessant. Uiteindelijk is de Vierde Internationale in al zijn verschijningsvormen altijd en overal een marginaal verschijnsel gebleven, zonder wezenlijke invloed op de loop der geschiedenis. De historische betekenis ervan is beperkt en is gelegen in de niet aflatende strijd tegen het stalinisme en in de steun aan de koloniale bevrijdingsstrijd. Voor Mandel was de Vierde Internationale net als voor Trotsky een levenswerk. Stutje behandelt vooral de grote onderwerpen: het ontstaan van nieuwe stalinistische regimes in Oost-Europa, de intredep¬olitiek, Algerije, mei ’68 in Berlijn en Parijs, de opkomst en ondergang van Solidariteit in Polen, de val van de Muur en de ineenstorting van het stalinisme. Ontwikkelingen die minder eenvoudig binnen het interpretatiekader van Mandel en de Vierde Internationale passen, zoals de val van de sjah en de opkomst van Khomeiny en het islamfundamentalisme en de volkerenmoord in het Cambodja van Pol Pot, krijgen daarentegen weinig tot geen aandacht.
Opvallend afwezig in zijn beschrijving van de geschiedenis van de Vierde Internationale en de rol van Mandel daarin is de ‘turn to industry’ van het begin van de jaren tachtig. Toen duidelijk werd dat de beweging van mei ’68 over zijn hoogtepunt heen was verdedigde Mandel op aandrang van de Amerikaanse Socialist Workers Party (SWP) een politiek die erop neerkwam dat de leden die in de Europese secties actief waren – hoofdzakelijk (ex-)studenten – in de traditionele industriesectoren moesten gaan werken. Het kostte de Vierde Internationale vele leden, die niet begrepen dat hun open en kritische organisatie haar toevlucht moest zoeken tot dergelijke leninistische paardenmiddelen. Het ontbreken van deze cruciale politieke beslissing is merkwaardig, want op diverse plaatsen in het boek stelt Stutje dat Mandel vaak niet volledig voor zijn eigen opvattingen ging en zich binnen de Vierde Internationale bij een compromis in de leiding – in het geval van de ‘turn to industry’, bij de wensen van de SWP – neerlegde. Zeer uitgesproken geeft Stutje deze kritiek op pagina 258: ‘… iedere opstandige gebeurtenis bevestigde de juistheid van het perspectief. Was de zaak in het slop, een balans werd zelden gemaakt, voor zelfkritiek hield hij zich gesloten, liever ging hij over tot de orde van de dag. Deze ongeduldige adolescentenhouding hielp hem afstand te bewaren tot sleutelproblemen, tot een realiteit, die te weerbarstig was voor analyse en prognose. Maar het hielp hem ook zich in te beelden dat hij geestverwanten kon behoeden voor demoralisatie en het gevaar af kon wenden hen kwijt te raken.’
Vanaf de jaren tachtig ging het bergafwaarts met de Vierde Internationale en Stutje schetst feitelijk een tragisch beeld van de laatste jaren van Mandel. Zijn gezondheid liet hem in de steek, binnen de Vierde Internationale nam de jongere generatie het over en kwam hij geïsoleerd te staan. Hij moest toezien hoe het stalinisme viel zonder dat er in de verste verte een links alternatief ontstond. Hiertegen hield het overoptimisme van Mandel geen stand. Het leidde tot de volgende pessimistische ontboezeming: ‘De crisis van het socialisme is voor alles de crisis van de geloofwaardigheid van het socialistisch project. Vijf generaties socialisten en drie generaties arbeiders waren overtuigd dat het socialisme mogelijk en noodzakelijk was. De huidige generatie niet meer’ (p. 308).
<
CONCLUSIE
Mandel was een bijzonder mens, die velen heeft geïnspireerd, zoals wordt aangetoond door de recensies van mensen die niet tot de Vierde Internationale hebben behoord (Bart Tromp, Hubert Smeets, Piet Piryns en Paul Depondt). Jan Willem Stutje heeft een mooie biografie … met belangstelling voor de recente geschiedenis van de socialistische beweging en het marxisme zou moeten lezen.
Als biografie is Stutjes studie zonder meer geslaagd. Jammer is wel dat het boek compositorisch te veel een aaneenschakeling van losse paragrafen en hoofdstukken is, waarin de rode draad soms verdwijnt achter details die niet altijd even relevant lijken. Minpunt is ook dat het een traditionele geschiedenis van bovenaf is, waarin de indruk die Mandel legde op ‘gewone’ activisten binnen de buiten de Vierde Internationale niet in beeld komt. Is Stutje ook geslaagd in zijn ambitie om uit te zoeken wat waard is te behouden en wat achterhaald is in Mandels erfenis? Het antwoord daarop kan wat mij betreft niet bevestigend zijn. Aan een kritische beoordeling van het wetenschappelijke en theoretische werk komt Stutje niet echt toe. Wel constateert hij terecht dat Mandel een synthetisch denker was, die als econoom geen school heeft gemaakt (p. 320).
In zijn slotbeschouwing gaat Stutje vooral in op Mandels spreekwoordelijke roekeloze optimisme. Niet voor niets citeren alle recensenten de anekdote over zijn bezoek aan Italië vlak na de Tweede Wereldoorlog, toen Mandel dacht dat de muuropschriften ‘Viva Internazionale’ op zijn politieke beweging sloegen, terwijl het natuurlijk om de voetbalclub ging. Die anekdote is zo mooi, dat ze verzonnen had moeten worden als ze niet waar zou zijn. Stutje haalt Michaël Löwy aan, die schrijft dat Mandel roekeloze optimisme vooral gebaseerd was op een antropologisch optimisme: het gebod om in verzet te komen tegen onderdrukking en het geloof in emancipatie van de mensheid. Stutje gaat zelf een stap verder en schrijft dat in de jaren tachtig een historisch tijdperk ten einde kwam, waarin ook de sociaal-economische structuur, de samenstelling en het bewustzijn van de arbeidersklasse veranderde. Hij vraagt: ‘Ligt niet in het herhaald uitgesproken geloof in de onaangetast gebleven objectieve kracht van de arbeidersklasse de grondslag van de roekeloosheid?’ (p. 325).
Het antwoord van Stutje op die retorische gestelde vraag blijft in de slotbeschouwing zoekend en tastend, binnen de ideologische kaders van het marxisme. Een antwoord zou ondubbelzinnig zijn: ja, in dat geloof in de arbeidersklasse en de onderschatting van de dynamiek en het aanpassingsvermogen van het kapitalisme en van de verworvenheden die de arbeidersbeweging binnen het kapitalisme kon bevechten, liggen de beperkingen van Mandel en zijn traditie. Zijn betoog begon en eindigde met wat historicus Eric Hobsbawm ‘de korte twintigste eeuw’ noemde: de eeuw die begon met de Eerste Wereldoorlog, en de hoop op de bevrijding en na de nachtmerrie van nazisme en stalinisme eindigde met de val van de Oost-Europese regimes en het verdwijnen van het socialisme als reëel maatschappelijk perspectief op enige afzienbare termijn.
maandag 7 september 2026
Links naar documenten die relatie hebben met de posts
Fiets
Fietsdenken 1 https://www.fietsberaad.nl/getmedia/1009ce3d-90b7-4fb4-8450-35c308d24c43/Fietsdenken.pdf.aspx?ext=.pdf
Fietsdenken 2 https://www.fietsberaad.nl/getmedia/b485346a-46bb-43b8-a750-228cf03bc4bd/Fietsdenken-2024_1.pdf.aspx?ext=.pdf.
In deze twee verzamelde stukken onder meer recensies van het Recht van de Sterkste van Marco te Brömmelstroet en Thalia Verkade en over het proefschrift van Jan Henk Dekker over een eeuw fietsbeleid.
Boek over 50 jaar Fietsersbond met slothoofdstuk samen met Esther van Garderen is downloadbaar via https://www.fietsersbond.nl/nieuws/vele-eenzame-fietsers-maken-een-vuist/.
Geschiedenis Nationaal Fietscongres: https://www.nationaalfietscongres.nl/nieuws/20220512-jublieumblog-wim-bot.
Terugblik werk als lobbyist Fietsersbond in het Spaans: https://ciclosfera.com/a/esto-si-es-amsterdam-entrevista-wim-bot-lobby-bicicleta-paises-bajos
Revolutionair-socialisme
Mijn boek over Sneevliet en het illegale Marx-Lenin-Luxemburg Front is hier te lezen: https://www.marxists.org/nederlands/bot/1983/fascism/index.htm.
Het vervolg daarop over het Comité Revolutionaire Marxisten (Generaals zonder troepen) is online te lezen in het Engels: https://www.marxists.org/history/etol/document/holland/dutch01.htm https://www.marxists.org/history/etol/document/holland/dutch02.htm
Bespreking van biografie Ernest Mandel door Jan Willem Stutje: zie aparte post
GroenLinks
Bespreking Pluche van Femke Halsema: https://www.wetenschappelijkbureaugroenlinks.nl/artikelen/halsema-en-een-deemoedige-les-voor-de-toekomst
Afscheidsrede Delftse gemeenteraad: https://delft.groenlinks.nl/nieuws/afscheidsrede-wim-bot
woensdag 12 augustus 2026
The art of cycling policies. Keynote spoken at Rimini, Velo-city June 19 2026
And the first one that comes to mind is JanG ehl in Copenhagen in 2010, telling his story about livable cities and designing for people. And here's a famous quotation by him. And he was very important in the change that took place in Copenhagen during the decades. And here we see the famous example of the pedestrianized Ströget.
Then we had Gilles Penelosa also two times. First time in Sevilla in 2011. And he explained his vision of the 8 to 80 attitude, stressing that change could take place in every city and that the miracle was not to ask what city can do for cycling, but what cycling can do for your city. A very important approach.
Then we had Marco Te Brömmelstroet in Arnhem Nijmegen in 2017. I think the first keynote speaker to really dive deeper into the language and the concepts we use of motornormativity, although it was not named that way in 2017. And he criticized also the concept based on speed and flow and promoting a totally different approach based on social interaction and streets seen as public interaction. So I think that was also very important.
And when we come back to Gilles and Penelosa, I would like to stress that vision can also be very effective. But both were invited by the city of Rotterdam. Rotterdam was rebuilt as a car city after World War II. And they spoke to the urban planners, this is Penelosa during a visit in Rotterdam, and the city really changed its politics and now adopts the concept of the city lounge.
And when we come back to Marco Te Brömmelstroet, very famous is his comparison that car drivers act like geese in formation and cyclists behave like sparrows in a swarm. And that has been a very powerful comparison, very successful also in social media. And I think we can conclude that after Marco's keynote in 2017, there has been much more attention for language and concepts in the Velo-city's. And especially in this one, with the fantastic tribunal we had this week.
And then we had event Meredith Glaser, who built further I think on the concepts of Marco, stressing that change is not a technical intervention but a social one, calling upon us to act, to just do what we have to do. And that has been to dance with the system, which is also I think a very powerful metaphor.
A session we also cannot forget for even two times was by Carlos Moreno on the 15-minute city. And he now became, attacked very viciously, and became a scapegoat of the radical right. But I think what was interesting in his concept was that the concept of the 15-minute city is not just meant for the center of a city like Paris, but also for the periphery and the banlieues. So that was for me an eye-opener, and it explains the strength of this concept. Then we know that vision is not enough. We also need leadership.
And this is my old boss at Fietsersbond Esther van Garderen, and she was warning politicians for the last time here: put your money where your mouth is.
And fortunately enough, we have had very good leaders, like Jeannette Sadiq-Kahn from New York, who was also twice at Velocity. And, you know, she began to construct bike lanes using pilots and temporary interventions. And she was working very steadily on a plan she had in mind, which was a very strong concept, of course.
I think the same thing is now being built up around Elke van den Brandt in Brussels, who was also at Velocity, and is also meeting very heavy opposition. And I think it's important in Brussels that the reduction of speed, so 30 kilometers, is the core of the change they are putting through.
And this opposition we also saw, of course, in Ghent. Filip Watteeuw was also twice at Velocity, explaining his ideas of a circulation plan in Ghent, which was, by the way, also already promoted 50 years ago in the Dutch city of Groningen, with very much success. But he received many death threats. And what he said at Velocity was, I only got applauded on the day I introduced the circulation plan. I would have liked to have that support a bit more before.He also said, we always know who is against our proposals, but we never know who is in favor of it. And here we see the opposition as it was made visible by actors during the Ghent bike parade. So that was a very good part of that bike parade, I think.
Another leader I found very inspiring was Burkhard Jung from the city of Leipzig. And here he is standing beside Filip Watteeuw, because Burckhardt explained in very wise terms, I think, the need to understand our citizens and also to understand their worries, their sorrows, their opposition. And we are discussing this in relation to bikelash. But he did this in a very wise and convincing way, in my opinion.
And we also can note that we need sustained political leadership. Let me quote the example of Sevilla, which organized a very good Velo-city in 2011, but afterwards the election was lost to a right-wing city government and all the cycling programs were paused.
So sustained political leadership is very necessary. And then, besides vision and leadership, we need strong advocacy, role models, strong organizations. And we see many of those in the Velo-city'st too. This is the map that was used by Stein van Oosteren, who spoke in Lisbon. They were able to unite the many cycling organizations in Paris and then they were able to use this map as a powerful focus, too.
And inspiring figures are also people like Amanda Ngabirano from Uganda. [applause] I don't know if she's here. But also Daniel Guth from Brazil. People working in very difficult circumstances. Although here it's not that difficult. Amanda is a fellow city, Sevilla, in 2013, speaking to some other advocates.
And even more inspiring thinking, I think, was Shannon Galpin, who was in Arnhem Nijmegen. She wrote this book on how she organized women's cycling in Afghanistan under the Taliban. And I think she was one of the first keynote speakers stressing the relationship of the bicycle and emancipation of women. And we can also conclude that after that edition, the role of women at Velo-city became much more important, including the network women in cycling and all that goes with it. [applause]
I want to end with some reflections on the relationship between those three aspects. Because they always operate in a different situation, in different phases of strength. And we must understand and analyze that relationship in order to be able to know what we can do.
And for that it's also very necessary to analyze the broader field of mobility and the broader field of society and trends taking place. And I've always been impressed at fellow city by speeches, by speakers like Philippe Cist, Karin Vancluysen, and Kevin Mayne, who always were able to sketch those broader dimensions. For me, very useful.
And we must understand that we never operate in a void. Always in a specific situation. And that's why I use the term the art of cycling policies. Here we see one by the famous Chinese artist Ai Weiwei in Rotterdam. But after yesterday evening, it should have been a Brompton with shoes on. Also, the art of cycling.
But the art of cycling is to decide which steps you can take towards the realization of your goal. And I think this is much more based on intuition than on scientific model. And the art is to frame your message in a little bit different way, to change the related weight of your arguments.
And I think, I must say, I was inspired by... We are now in the country of Antonio Gramsci, one of the great thinkers of the twentieth century. [applause] But we have to operate as if we are in a long-term war of position, in which we have to gain hegemony. We have to build alliances. And we must gain cultural influence. And it takes a long time. We have to realize that.
And we have just had a discussion on bikelash. And I think we are living in a very contradictory situation at the moment. Bikelash and the rise of the radical right on the one hand, and cities leading in the transformation on the other hand.
And I think it's really a very complicated dialectic. And to solve this, we have to act with optimism of the will, as Gramsci said. And I think this also means especially to involve citizens actively in the politics we propose, to support the politicians leading the transition, and to defend the positions of cycling with courage, determination and confidence.
Very important. And for this, it's absolutely necessary to realize that we must defend democracy and the democratic rights of democracy organizations. Otherwise, we cannot achieve anything. That was my message to you Velo-citizens, thank you. [applause]
dinsdag 26 mei 2026
Gemengde gevoelens bij de memoires van een activiste
![]() |
| Het einde van de apartheid, gesymboliseerd door slegs vir blankes-bordjes in Freedom Park in Tshwane (Pretoria) |
![]() |
| 2024, actie bij het Gerechtshof in Johannesburg |
zaterdag 9 mei 2026
Over identiteiten en cultureel trotskisme. Een halve eeuw politieke herinneringen, aflevering 28.
maandag 9 maart 2026
Jan Torenstra, een echte wethouderssocialist. Een halve eeuw politieke herinneringen, aflevering 28.
Op 15 maart wordt het boek gepresenteerd over het Delftse PvdA-kopstuk Jan Torenstra. Zijn Amsterdamse GroenLinkse geestverwant Dick Jansen - net als Jan actief in het netwerk MENSenSTRAAT) tekende zijn levensverhaal op onder de titel Van kistensjouwer tot wethouder. Het verhaal van Jan Torenstra, een Delftse lefgozer.
Het is in zekere zin een klassiek verheffingsverhaal, zoals de ondertitel ook aangeeft. Van ongeschoolde arbeiders, buurtactivist en vakbondsman werd Jan uiteindelijk raadslid in Delft (1986-1998) en wethouder (1998-2006). In die periode leerde ik hem als gemeenteraadslid van 1994 tot 2008 kennen. Jan stelt in het boek dat een politicus zowel volksvertegenwoordiger, bestuurder als partij-activist moet zijn. Dat drie rollen speelde Jan met verve, waarbij hij intuïtie (ontzettend belangrijk in het politieke bedrijf) combineerde met het grote strategisch inzicht van een politieke schaker. Zijn credo: "...structureel verbeteringen realiseren betekent dat je naast betrokkenheid tonen, je verdiept in een probleem, je breed oriënteert op de context, vooraf een goede analyse pleegt van kansen en bedreigingen, en van mede- en tegenstanders om een effectieve strategie op blijvende verandering te kunnen ontwikkelen."
De ernstige visuele handicap van Torenstra, die leidde tot afkeuring voor het werk op de Westlandse veiling), bleek in het politieke handwerk ook een voordeel te kunnen zijn. Torenstra kon op basis van een samenvatting van een beleidsnota precies uitleggen wat de kern ervan was en hoe je er tegenover moets staan: “Ik kan natuurlijk niet van papier lezen als ik iets moet zeggen voor een groep. Dus dat gaat altijd uit de losse pols, maar ik heb al vroeg geleerd om dat in vijf stappen te doen: waar gaat het over, wat zou er moeten gebeuren, wat vind ik daar van, wat kan ik zelf doen, en wat ga ik doen.” Het is een citaat dat elk beginnend raadslid uit zijn hoofd zou moeten kennen, het is een basisvaardigheid die veel raadsleden niet of onvoldoende beheersen.
Het inzicht van Torenstra bleek bij de Delftse collegevorming van 1998, waarbij de PvdA het voortouw had. Torenstra was altijd voorstander van linkse samenwerking en een progressief college. Een coalitie met CDA en/of VVD had niet de voorkeur en bleek ook moeilijk. Torenstra had een troef achter de hand: de twee raadszetels van studentenpartij STIP, die de progressieve coalitie van PvdA, GroenLinks en D66 aan een nipte meerderheid kon helpen. Met dit konijn uit de hoge hoed had Torenstra de gehele rechterzijde van de raad buitenspel gezet, niemand had deze geniale zet zien aankomen.
Het college dat aan de macht kwam maakte als een sterk team werk van de autoluwe binnenstad en voor een doordachte wijkaanpak. Onder voorzitterschap van burgemeester Hein van Oorschot, een krachtdadig bestuurder, was Torenstra de nestor van dat college. Ik herinner me dat hij zijn aantreden tegen zijn ambtenaren zei: "Ik wil niet weten waarom iets niet kan, maar hoe het wel kan". Het tekende de dynamiek van dat college, met de jongere honden en echte beleidsmakers Rik Grashoff van GroenLinks en Dick Rensen van de PvdA (ook wel bekend als de doe-het-zelfwethouders), de relaxte D66-er Meine Oosten en de jonge STIP-wethouder Astrid Janssen (later wethouder voor GroenLinks in Amersfoort). In de agenda van Torenstra werd de maandag altijd vrijgehouden voor een werkbezoek en bij officiëlere bijeenkomsten zorgden de ondersteunende ambtenaren voor zijn jasje-dasje.
![]() |
| De Delftse raad in 1998. Ik sta vooraan met het blauwe overhemd. Jan Torenstra staat schuin achter me met zijn onmiskenbare witte haardoos. |
Torenstra kon in het politieke bedrijf ook een echte straatvechter zijn. Ik herinner me naast de vele verbale en komische aanvaringen met Aad Bonthuis van Stadsbelangen (voormalig PvdA-kopstuk) bijvoorbeeld een stevig stuk powerplay in mijn richting over veranderingen in de kinderopvang. Torenstra maakte achter de schermen duidelijk op dat punt geen oppositie binnen de coalitie te dulden. Een van de redenen waarom dit college met een meerderheid van één stem vier jaar zonder kleerscheuren doorkwam was dat verschillen van inzicht op tijd gesignaleerd en besproken werden. Dat kon tot verschillende uitkomsten leiden, maar één regel stond vast: elkaar verrassen was not done.
Het is mooi dat dit verhaal over Jan Torenstra en zijn manier van werken verschenen is. Het is een verhaal va het wethouderssocialisme dat de sociaal-democratie in Nederland groot heeft gemaakt. Het is helaas steeds zeldzamer geworden en dat is een van de oorzaken van de tragische neergang van die sociaal-democratie.
Het boek is uitgegegeven bij Printplezier en kost 19,95. Bestellen kan via https://webshop.printplezier.nl/Boeken/
donderdag 12 februari 2026
De rijke geschiedenis van de fiets in Afrika
Een boek over fietsen in Afrika? Veel Europeanen zullen zich daar weinig bij kunnen voorstellen. Ze kennen hoogstens de Eritese wielrenner Biniam Giray of de uitdaging om van Cairo naar Kaapstad te fietsen. Het is de enorme verdienste van het boek Cycling Cities: The African Experience de enorme en diverse geschiedenis van het fietsen op het continent aan ons te vertellen, aan de hand van studies in zeventien steden in elf landen.
Het boek onder redactie van Njogu Morgan, Ruth Oldenziel, Peter Norton en Yusuf Madugu is een vervolg op een eerder deel over Europese steden. Het hele project staat onder leiding van Ruth Oldenziel. In totaal werkten er maar liefst 31, vooral Afrikaanse auteurs aan mee.
Centraal in de Cycling Cities-aanpak staat een model van vijf factoren dat het succes van fietsen verklaart: stedelijke structuur, mobiliteitsalternatieven, verkeersbeleid en -politiek, sociale bewegingen en culturele status. De conclusie over Afrika: “De onderzoeken bevestigen dat alle vijf dimensies werkzaam zijn in Afrika maar anders op elkaar inwerken door Afrika’s koloniale erfenis, snelle postkoloniale urbanisatie en ongelijke economische ontwikkeling”.
Om tot een goede analyse te kunnen komen hebben de onderzoekers een veelvoud aan bronnen moeten opsporen en raadplegen. Betrouwbare cijfers over de modal split zijn er eigenlijk niet, alleen al omdat lopen als belangrijkste modaliteit in Afrika ontbreekt in de meeste statistieken. Voor het beeld, zeker in de eerste helft van de twintigste eeuw, zijn gegevens over import van fietsen, registratie en vooral ook gegevens over eigendom van fietsen onontbeerlijk. Het aantal huishoudens dat over een fiets beschikt zegt immers veel over de verspreiding ervan. Een belangrijke bron is ook beeldmateriaal. De foto’s en andere illustraties die in het boek zijn opgenomen zijn in één woord fantastisch en maken alleen al de aanschaf van het boek zeer de moeite waard: denk aan schitterende portretfoto’s, eenzame fietsers op verlaten autowegen, een vroedvrouw op een fiets op het platteland, versierde fietstaxi’s, reparatiewerkplaatsenin bedrijf, een advertentie van een man op een Raleigh-fiets die sneller is dan een leeuw.
De onderzochte steden variëren van grote metropolen als Johannesburg, Kaapstad en Caïro tot in Europe minder bekende steden als Kisumu, Tamale, Chipata, Gulu, Zomba en Mzulu. In die kleinere steden is de positie van de fiets veel sterker gebleven dan in de metropolen, waarin de auto dominant is geworden en de afstanden veel langer zijn. Het aandeel fiets in de modal split varieert van 1% in de metropolen tot een ongelofelijke 57% in Chipata im Zambia (buiten het oogstseizoen).
| Afrikaanse fietsen voor vervoer goederen en mensen op de tentoonstelling bij de boekpresentatie in Eindhoven |
Belangrijke factoren in de ontwikkeling van het fietsgebruik op het continent waren de koloniale overheersing en de activiteit van missionarissen en de verspreiding onder de Afrikaanse bevolking. Na het einde van de koloniale overheersing zijn er tegenstrijdige ontwikkelingen. Progressieve politici als Julius Nyerere van Tanzania en Kenneth Kaunda van Zambia wilden het fietsen als democratische manier van verplaatsen stimuleren, anderen zoals Sadat in Egypte kozen voor de automobiliteit. Duidelijk wordt ook dat de economische functie van de fiets voor goederenvervoer in Afrika heel belangrijk is, vooral voor mannen – vrouwen vervoeren goederen vooral te voet. Fietstaxi’s voor vervoer van goederen en van mensen (met buddyzadels, ‘bodaboda’s’) spelen ook een grote rol, die wordt bedreigd door import van goedkope motorfietsen uit Azië. Bijzonder is ook de rol van werkplaatsen, waar fietsen niet alleen worden gerepareerd maar ook creatief aangepast aan de lokale omstandigheden. Pogingen om het fietsen te versterkenin dit millenium, ook door aanleg van gescheiden infrastructuur, staan mdede onder invloed van internationale ngo’s. Ook wordt de dominantie van mannen in de fietscultuur ter discussie gesteld, bijvoorbeeld door Cyprine Odada van Kenia Cycling Women.
In een bespreking als deze is het bijna niet mogelijk om recht te doen aan de rijke geschiedenis van de fiets in Afrika, als dit boek één ding overtuigend aantoont is dat de fiets vanaf het begin van de twintigste eeuw op allerlei manieren aanwezig is op het continent.
Cycling Cities: The African Experience (296 pagina's op groot formaat) is te bestellen bij Stichting Historie der Techniek en kost 35 euro.











