zaterdag 9 mei 2026

Over identiteiten en cultureel trotskisme. Een halve eeuw politieke herinneringen, aflevering 28.

In een boekbespreking viel mijn oog op een zin waarin stond dat de Franse journalist Edwy Plenel zich beschouwt als “cultureel trotskist”. Plenel was van 1970 tot 1979 actief in de Ligue Communiste Révolutionnaire (LCR) en de voorloper daarvan, de meest invloedrijke afdeling van de door Trotski in 1938 opgerichte Vierde Internationale. Vanaf 1976 was hij journalist van het LCR-blad Rouge (dagblad van 1976 tot 1979). Daarna werkte hij bij Le Matin de Paris en Le Monde en was hij oprichter van het onafhankelijke mediabedrijf Mediapart. Hij mengt zich tot op de dag van vandaag als bekend publiek figuur bij voortduring in allerlei politieke debatten, zoals dat over de islam. 

 Als voormalig lid van de Nederlandse zusterorganisatie van de LCR vroeg ik me af wat Plenel precies bedoelde met die term “cultureel trotskist”, een term die me fascineerde. Plenel zei in een tv-interview dat hij de organisatie waarvan hij deel uitmaakte beschouwde als libertair, verdediger van de vrijheid en bestrijder van onrecht en machtspolitiek van staten en/of partijen. 




 De Belgische Flor Vandekerckhove, journalist met een soortgelijke achtergrond, haalt in een beschouwing op zijn blog De laatste vuurtorenwachter relevante citaten aan uit het boek Secrets de jeunesse van Plenel uit 2001: 

"Als ik zou moeten definiëren wat er nog van rest, zou ik mezelf graag een culturele trotskist noemen, die voor mezelf een tussenliggende, bastaard- en gemengde identiteit uitvindt, die zowel de orthodoxen als de postulaten zal mishagen. Trotskisme als ervaring en als erfgoed maakt voor altijd deel uit van mijn identiteit, niet als programma of project, maar als een gemoedstoestand, een oude kritiek op discrepantie en scherpte, op nederlagen en loyaliteit.' (2001, p.24). 

En: Het trotskisme zelf is een soort doorgang waardoor waarden en ideeën, referenties en gedragingen aan hun ontkenning ontsnapten en zichzelf behoedden voor een zeker debacle. Het is geen voltooid programma, en nog minder een volbracht recept (…) Het is eenvoudigweg een ervaring, theoretisch en praktisch. In de historische context van de twintigste eeuw was dit de vorm die een van de schakels in de oneindige en universele keten van logische en kritische opstanden aannam.’ (2001, p.251). 


 Eerlijk gezegd herken ik het nodige in deze citaten. Voor veel jonge mensen was de libertaire tak van het trotskisme, die van de naoorlogse reuzen Ernest Mandel en zeker ook Michel Pablo, een geweldige leerschool voor het denken over strategie en over maatschappelijke ontwikkelingen. Wanneer je dat cultureel trotskisme noemt moet je wel belangrijke kanttekeningen plaatsen: kritisch en onafhankelijk denken is geen monopolie van deze revolutionaire stroming, dat kon en kun je ook op andere plaatsen en in andere organisaties leren, in mijn geval ook op het Instituut voor Geschiedenis van de Utrechtse universiteit. In de tweede plaats kende dat kritisch denken ook beperkingen, bijvoorbeeld in het nogal blinde geloof in de revolutionaire rol van de arbeidersklasse. En juist dat geloof in de arbeidersklasse als revolutionaire kracht die de kapitalistische maatschappij omverwerpt onder leiding van een voorhoedepartij is doodgewoon niet houdbaar gebleken. Het is dé reden dat veel aanhangers van het trotskisme op enig moment zijn afgehaakt, ze zagen geen geloofwaardig politiek perspectief. 




Wat er dan overbleef voor die afgehaakte aanhangers heeft veel overeenkomsten met cultuurkatholicisme: hechten aan tradities en rituelen zonder de geloofsdogma’s nog langer te onderschrijven. Dat gaat dan bij mij om een melancholiek gevoel: het ontzag voor de oudere generatie die vocht tegen fascisme en stalinisme, het samen met gelijkgezinden energiek werken aan de idealen en ook het zingen van De Internationale (Du passé faisons table rase, debout esclaves, debout, debout. Le Monde va changer de base, nous ne sommes rien en soyons tout)

 Voor de mensen die wel blijven geloven in dat revolutionaire subject en idem perspectief is er domweg geen trotskisme zonder die politieke uitgangspunten – en dus ook geen culturele variant. Hoewel, zoals ik in een eerdere aflevering opmerkte noemen de aanhangers zich opvallend en ironisch genoeg inmiddels vaak antikapitalisten – een term die meer de kritiek dan de oplossing aanduidt. 

 Nog steeds zijn veel van de analyses die door aanhangers van Trotski worden gemaakt heel relevant, op het moment zelfs relevanter dan in de jaren na de val van de Muur en Fukuyama’s einde van de geschiedenis. Daarom lees ik ze graag wanneer het bijvoorbeeld over Gaza en Oekraïne gaat, ook omdat andere linkse partijen tegenwoordig heel weinig aan diepgaande kritische analyse doen. Bij deze conflicten gaat het er om zowel aan de kant van de onderdrukten te staan, als om de historische en politiek-economische achtergronden te begrijpen en te reflecteren op actiestrategieën. 

 De Franse trotskistische leider en intellectueel Daniel Bensaïd – zonder meer de meest begenadigde vertegenwoordiger van de naoorlogse aanhangers - maakte in zijn zeer interessante memoires Une lente Impatience (2004, p.15-16) een onderscheid binnen de groep voormalige leden: ‘De scheidslijn ligt eerder tussen anciens en exen. De lijn is er een van cynisme en wrok. ‘Ancien’ heeft iets liefdevols. Het woord roept zonder spijt gemeenschappelijke ervaringen op, een soort informele vriendschap. De anciens hebben er geen spijt van. Er wordt niet ontkend, geen berouw getoond. Als het hart er niet meer is, gaan ze elders verder, op andere manieren, in andere vormen. “Ex” daarentegen slaat de bladzijde droog om. (…)’. 

 Zo bezien ben ik dan een ancien, maar aarzel ik desondanks om me cultureel trotskist te noemen, hoe aanlokkelijk dat ook lijkt te klinken. Het belang erkennen van een belangrijke persoonlijke ervaring voor je identiteit, da’s één ding. Maar er is ook mijn Feyenoord-identiteit (sinds 1964), mijn Zappa-identiteit (sinds 1970), die van GroenLinks (sinds de oprichting) die van de stad Delft (waarvan ik in 2008 ereburger werd) en die van de belangenbehartiging van de fiets (sinds 2003).

PS-deze blogpost bouwt voort op eerdere afleveringen over mijn politieke herinneringen, met name 3, 5, 9, 11, 16, 18, 19, 20 en 27, zie https://wimbot.blogspot.com/2022/07/een-halve-eeuw-politieke-herinneringen.html

maandag 9 maart 2026

 Jan Torenstra, een echte wethouderssocialist. Een halve eeuw politieke herinneringen, aflevering 28.

Op 15 maart wordt het boek gepresenteerd over het Delftse PvdA-kopstuk Jan Torenstra. Zijn Amsterdamse GroenLinkse geestverwant Dick Jansen - net als Jan actief in het netwerk MENSenSTRAAT) tekende zijn levensverhaal op onder de titel Van kistensjouwer tot wethouder. Het verhaal van Jan Torenstra, een Delftse lefgozer.


Het is in zekere zin een klassiek verheffingsverhaal, zoals de ondertitel ook aangeeft. Van ongeschoolde arbeiders, buurtactivist en vakbondsman werd Jan uiteindelijk raadslid in Delft (1986-1998) en wethouder (1998-2006). In die periode leerde ik hem als gemeenteraadslid van 1994 tot 2008 kennen. Jan stelt in het boek dat een politicus zowel volksvertegenwoordiger, bestuurder als partij-activist moet zijn. Dat drie rollen speelde Jan met verve, waarbij hij intuïtie (ontzettend belangrijk in het politieke bedrijf) combineerde met het grote strategisch inzicht van een politieke schaker. Zijn credo: "...structureel verbeteringen realiseren betekent dat je naast betrokkenheid tonen, je verdiept in een probleem, je breed oriënteert op de context, vooraf een goede analyse pleegt van kansen en bedreigingen, en van mede- en tegenstanders om een effectieve strategie op blijvende verandering te kunnen ontwikkelen."

De ernstige visuele handicap van Torenstra, die leidde tot afkeuring voor het werk op de Westlandse veiling), bleek in het politieke handwerk ook een voordeel te kunnen zijn. Torenstra kon op basis van een samenvatting van een beleidsnota precies uitleggen wat de kern ervan was en hoe je er tegenover moets staan:   “Ik kan natuurlijk niet van papier lezen als ik iets moet zeggen voor een groep. Dus dat gaat altijd uit de losse pols, maar ik heb al vroeg geleerd om dat in vijf stappen te doen: waar gaat het over, wat zou er moeten gebeuren, wat vind ik daar van, wat kan ik zelf doen, en wat ga ik doen.” Het is een citaat dat elk beginnend raadslid uit zijn hoofd zou moeten kennen, het is een basisvaardigheid die veel raadsleden niet of onvoldoende beheersen.

Het inzicht van Torenstra bleek bij de Delftse collegevorming van 1998, waarbij de PvdA het voortouw had. Torenstra was altijd voorstander van linkse samenwerking en een progressief college. Een coalitie met CDA en/of VVD had niet de voorkeur en bleek ook moeilijk. Torenstra had een troef achter de hand: de twee raadszetels van studentenpartij STIP, die de progressieve coalitie van PvdA, GroenLinks en D66 aan een nipte meerderheid kon helpen. Met dit konijn uit de hoge hoed had Torenstra de gehele rechterzijde van de raad buitenspel gezet, niemand had deze geniale zet zien aankomen.

Het college dat aan de macht kwam maakte als een sterk team werk van de autoluwe binnenstad en voor een doordachte wijkaanpak. Onder voorzitterschap van burgemeester Hein van Oorschot, een krachtdadig bestuurder, was Torenstra de nestor van dat college. Ik herinner me dat hij zijn aantreden tegen zijn ambtenaren zei: "Ik wil niet weten waarom iets niet kan, maar hoe het wel kan". Het tekende de dynamiek van dat college, met de jongere honden en echte beleidsmakers Rik Grashoff van GroenLinks en Dick Rensen van de PvdA (ook wel bekend als de doe-het-zelfwethouders), de relaxte D66-er Meine Oosten en de jonge STIP-wethouder Astrid Janssen (later wethouder voor GroenLinks in Amersfoort). In de agenda van Torenstra werd de maandag altijd vrijgehouden voor een werkbezoek en bij officiëlere bijeenkomsten zorgden de ondersteunende ambtenaren voor zijn jasje-dasje.

De Delftse raad in 1998. Ik sta vooraan met het blauwe overhemd. Jan Torenstra staat schuin achter me met zijn onmiskenbare witte haardoos.

Torenstra kon in het politieke bedrijf ook een echte straatvechter zijn. Ik herinner me naast de vele verbale en komische aanvaringen met Aad Bonthuis van Stadsbelangen (voormalig PvdA-kopstuk) bijvoorbeeld een stevig stuk powerplay in mijn richting over veranderingen in de kinderopvang. Torenstra maakte achter de schermen duidelijk op dat punt geen oppositie binnen de coalitie te dulden. Een van de redenen waarom dit college met een meerderheid van één stem vier jaar zonder kleerscheuren doorkwam was dat verschillen van inzicht op tijd gesignaleerd en besproken werden. Dat kon tot verschillende uitkomsten leiden, maar één regel stond vast: elkaar verrassen was not done.

Het is mooi dat dit verhaal over Jan Torenstra en zijn manier van werken verschenen is. Het is een verhaal va het wethouderssocialisme dat de sociaal-democratie in Nederland groot heeft gemaakt. Het is helaas steeds zeldzamer geworden en dat is een van de oorzaken van de tragische neergang van die sociaal-democratie. 

Het boek is uitgegegeven bij Printplezier en kost 19,95. Bestellen kan via https://webshop.printplezier.nl/Boeken/

donderdag 12 februari 2026

 De rijke geschiedenis van de fiets in Afrika

Een boek over fietsen in Afrika? Veel Europeanen zullen zich daar weinig bij kunnen voorstellen. Ze kennen hoogstens de Eritese wielrenner Biniam Giray of de uitdaging om van Cairo naar Kaapstad te fietsen. Het is de enorme verdienste van het boek Cycling Cities: The African Experience de enorme en diverse geschiedenis van het fietsen op het continent aan ons te vertellen, aan de hand van studies in zeventien steden in elf landen.


Het boek onder redactie van Njogu Morgan, Ruth Oldenziel, Peter Norton en Yusuf Madugu is een vervolg op een eerder deel over Europese steden. Het hele project staat onder leiding van Ruth Oldenziel. In totaal werkten er maar liefst 31, vooral Afrikaanse auteurs aan mee. 


Centraal in de Cycling Cities-aanpak staat een model van vijf factoren dat het succes van fietsen verklaart: stedelijke structuur, mobiliteitsalternatieven, verkeersbeleid en -politiek, sociale bewegingen en culturele status. De conclusie over Afrika: “De onderzoeken bevestigen dat alle vijf dimensies werkzaam zijn in Afrika maar anders op elkaar inwerken door Afrika’s koloniale erfenis, snelle postkoloniale urbanisatie en ongelijke economische ontwikkeling”.

Om tot een goede analyse te kunnen komen hebben de onderzoekers een veelvoud aan bronnen moeten opsporen en raadplegen. Betrouwbare cijfers over de modal split zijn er eigenlijk niet, alleen al omdat lopen als belangrijkste modaliteit in Afrika ontbreekt in de meeste statistieken. Voor het beeld, zeker in de eerste helft van de twintigste eeuw, zijn gegevens over import van fietsen, registratie en vooral ook gegevens over eigendom van fietsen onontbeerlijk. Het aantal huishoudens dat over een fiets beschikt zegt immers veel over de verspreiding ervan. Een belangrijke bron is ook beeldmateriaal. De foto’s en andere illustraties die in het boek zijn opgenomen zijn in één woord fantastisch en maken alleen al de aanschaf van het boek zeer de moeite waard: denk aan schitterende portretfoto’s, eenzame fietsers op verlaten autowegen, een vroedvrouw op een fiets op het platteland, versierde fietstaxi’s, reparatiewerkplaatsenin bedrijf, een advertentie van een man op een Raleigh-fiets die sneller is dan een leeuw. 

De onderzochte steden variëren van grote metropolen als Johannesburg, Kaapstad en Caïro tot in Europe minder bekende steden als Kisumu, Tamale, Chipata, Gulu, Zomba en Mzulu. In die kleinere steden is de positie van de fiets veel sterker gebleven dan in de metropolen, waarin de auto dominant is geworden en de afstanden veel langer zijn. Het aandeel fiets in de modal split varieert van 1% in de metropolen tot een ongelofelijke  57% in Chipata im Zambia (buiten het oogstseizoen).


Afrikaanse fietsen voor vervoer goederen en mensen op de tentoonstelling bij de boekpresentatie in Eindhoven

Belangrijke factoren in de ontwikkeling van het fietsgebruik op het continent waren de koloniale overheersing en de activiteit van missionarissen en de verspreiding onder de Afrikaanse bevolking. Na het einde van de koloniale overheersing zijn er tegenstrijdige ontwikkelingen. Progressieve politici als Julius Nyerere van Tanzania en Kenneth Kaunda van Zambia wilden het fietsen als democratische manier van verplaatsen stimuleren, anderen zoals Sadat in Egypte kozen voor de automobiliteit. Duidelijk wordt ook dat de economische functie van de fiets voor goederenvervoer in Afrika heel belangrijk is, vooral voor mannen – vrouwen vervoeren goederen vooral te voet. Fietstaxi’s voor vervoer van goederen en van mensen (met buddyzadels, ‘bodaboda’s’) spelen ook een grote rol, die wordt bedreigd door import van goedkope motorfietsen uit Azië. Bijzonder  is ook de rol van werkplaatsen, waar fietsen niet alleen worden gerepareerd maar ook creatief aangepast aan de lokale omstandigheden. Pogingen om het fietsen te versterkenin dit millenium, ook door aanleg van gescheiden infrastructuur, staan mdede onder invloed van internationale ngo’s. Ook wordt de dominantie van mannen in de fietscultuur ter discussie gesteld, bijvoorbeeld door Cyprine Odada van Kenia Cycling Women.


In een bespreking als deze is het bijna niet mogelijk om recht te doen aan de rijke geschiedenis van de fiets in Afrika, als dit boek één ding overtuigend aantoont is dat de fiets vanaf het begin van de twintigste eeuw op allerlei manieren aanwezig is op het continent.


Cycling Cities: The African Experience (296 pagina's op groot formaat) is te bestellen bij Stichting Historie der Techniek en kost 35 euro.

woensdag 17 december 2025

De WK-voetbalkoorts, beschreven door Simon Kuper

Als jongentje raakte Simon Kuper in 1978 in Leiden in de ban van het wereldkampioenschap voetbal in Argentinië en het Nederlands elftal dat daar op een doelpaal na kampioen werd. Als journalist van vooral de Financial Times bezocht Kuper daarna maar liefst negen wereldkampioenschappen. Over zijn impressies schreef hij De wereld aan mijn voeten. Een reis door het hart van het mondiale voetbal in 9 WK's. Het is een werkelijk heerlijk boek, dat de magie van het grootste evenement van de wereld weet te vatten. Een magie die blijft bestaan, ondanks voetbal dat kwalitatief steeds verder achterop raakt bij het clubvoetbal, absurd doorgevoerde commercialisering en corrupte gastlanden. Kuper citeert aan het einde van zijn boek de Londense dominee Licoln Harvey, die het wereldkampioenschap vergelijkt met een religieus feest: "Mooier dan het toernooi wordt het niet. Ik denk niet dat er ook maar iets in de buurt komt dat eenheid en onderscheid, samenzijn en anders-zijn op die manier aan elkaar koppelt". Kuper zegt in zijn inleiding "het toernooi is een wereldwijd carnaval dat het mensenlijk geluk tot hoofdrolspeler verheft".

Het gevoel dat Kuper beschrijft herken ik helemaal. Ik herinner me mijn eerste WK, dat in Engeland in 1966, met de goal (?) via de onderkant van de lat van Geoff Hurst in de finale tegen West-Duitsland en de spectaculaire nederlaag van Eusebio's Portugal tegen het mysterieuze Noord-Korea. Dat WK zag in de televisiezaal van het protestant-christelijke vakantieoord IJsselstein in Hattem, waar ik met mijn ouders op vakantie was. 


Daarna volgde het magistrale WK in Mexico in 1970, met een swingend Brazilië onder leiding van Pele (die bal vanaf de middenlijn, die Gordon Banks net naast zag gaan). De 4-1 van Carlos Alberto in de finale tegen Italië vind ik nog steeds de mooiste teamgoal aller tijden, een samba van het hele elftal, met het geniale breedtepassje van Pele als hoogtepunt. De halve finale van Italië tegen West-Duitsland, die na verlenging in 4-3 eindigde, geldt terecht nog steeds als een van de mooiste wedstrijden aller tijden.

Over het WK in Duitsland in 1974 hoef ik weinig woorden vuil te maken. De Oranje machine van het totaalvoetbal, met Cruyff en Van Hanegem (volgens sommige experts de allerbeste spelervan dit WK, let op Cruyff-adepten), spreekt over de hele wereld nog steeds tot de verbeelding. Denk alleen aan de goal van Cruyff na de assist van de Kromme tegen Argentinië. Wie achteraf nog eens naar Nederland-Brazilië kijkt ziet overigens een snoeiharde schoppartij en Auke Kok liet in zijn boek over de finale zien dat Duitsland (met Beckenbauer en Gerd Müller) de finale misschien wel terecht won. Mede trouwens door het ontbreken van de nog altijd onderschatte Rob Rensenbrink, het slangenmens.

Met Van Hanegem op diens 70-ste verjaardag. De Adidas-schoen is naar hem genoemd en is nu een prijs voor een verdienstelijk Feyenoorder. Toevallig had ik nog zo'n paar ongebruikte schoenen.

Het WK van 78 in Argentinië doet me minder, vanwege de dictatuur van Videla en de protestacties en het onbreken van Cruyff en Van Hanegem. Naast de afstandsschoten van Arie Haan herinner ik me wel het dagboek van keeper Jan Jongbloed, kom daar nu nog maar eens om. Spanje 1982 vond ik daarentegen geweldig vanwege een groots Brazilië met het fantastische middenveld Toninho Cerezo, Socrates en wereldster Zico (in Brazilië nog altijd even bewonderd als Pele). Dat dit team door Italië werd uitgeschakeld kan ik nog steeds niet bevatten. De halve finale West-Duitsland-Frankrijk, door West-Duitsland na strafschoppen gewonnen, is ook zo'n wedtsrijd die elke liefhebber zich nog herinnert.

Met Flamengo-shirt met Zico-opdruk, vorige maand gehad van mijn zoon David

Mexico 1986 was uiteraard het toernooi van het weergaloze enfant terrible Maradona en Frankrijk 1998 was na teleurstellende edities van 1990 (Italië) en 1994 (VS) het laatste toernooi dat er mijns inziens kwalitatief bovenuit stak, met Platini, Ronaldo en Bergkamp. Alle edities van deze eeuw staan in de schaduw van het Champions Leaguevoetbal van ingespeelde topteams. Geen enkel landenteam heeft het niveau van het Barcelona van Messi, Xavi en Iniesta - waarover Kuper ook een prachtig boek schreef - ook maar benaderd. Natuurlijk, we zagen hele goede voetballers, zoals Ronaldinho, Van Persie, Ronaldo, Zidane, Mbappé, Pirlo, de WK-Messi, Modric en noem ze maar op. De toernooien als geheel ware echter minder van kwaliteit en kenden maar weinig echt onvergetelijke wedstrijden, hoewel de finales van 2018 (Frankrijk-Kroatië) en 2022 (Argentinië-Frankrijk) er wel mochten zijn. De overbelasting van spelers door de overvolle speelkalender helpt natuurlijk ook niet om het WK tot sportief hoogtepunt te maken.

In Kaapstad gekocht soevenir aan de ook door Kuper beschreven Soweto derby (Kaizer Chiefs-Orlando Pirates)

Elke liefhebber van het WK zal van de eerste tot de laatste pagina genieten van het boek van Kuper, met het deel over zijn geboorteland Zuid-Afrika als hoogtepunt (en dieptepunt qua gemiste kansen voor het land). Ook weet ik: ondanks het afschuwelijke optreden van Trump en Infantino, het veel te grote aantal deelnemers en de achterlijke toegangsprijzen zal ik ook deze zomer toch weer vallen voor het WK...

Simon Kuper, De wereld aan mijn voeten. Een reis door het hart van het mondiale voetbal in 9 WK's. 351 pagina's, 24,99.



maandag 27 oktober 2025

Een pleidooi voor een progressief populisme

Overmorgen mogen we stemmen voor de Tweede Kamer en wordt het duidelijk hoe de politieke kaarten in Nderland geschud zijn. De kans is bijzonder groot dat we kabinet krijgen met GroenLinks-Pvda, D66, CDA en VVD. Het lijkt de enige coalitie die een werkbare meerderheid kan krijgen en daarmee zouden alle commentatoren die snakken naar een stabiel middenkabinet hun zijn krijgen. 

Maar wat valt er eigenlijk te verwachten van zo’n kabinet? Kan dat de belangrijkste vraagstukken van deze tijd wel oplossen? Journalist Mark Lievisse Adriaanse waarschuwt in zijn boek Wat iedereen aangaat terecht voor een technocratisch beleid dat geen echte oplossingen zal bieden zolang de ongelijkheid door de economische en politieke macht van het neoliberalisme niet wordt doorbroken.


In zijn boek geeft Lievisse Adriaanse een analyse van de opkomst van het neoliberalisme in Nederland (schatplichtig aan het boek van Merijn Oudenampsen en Bram Mellink), de dominantie van de financiële markten en de techmiljardairs, het verdwijnen van het conflict tussen de traditionele partijen als gevolg van de kleine marges, de uitholling van de democratie en de opkomst van het (autoritaire) populisme. Het is een scherpe, voor een groot deel wel bekende analyse.

Lievisse Adriaanse pleit voor een eerherstel van het ideologisch conflict in het politieke debat, dat moet gaan over een rechtvaardige inrichting van de democratie. Hij komt met een radicaal alternatief voor het autoritaire populisme van radicaal-rechts: een progressief populisme, zoals ook de Verenigde Staten dat in het verleden heeft gekend. De agenda voor zo’n progressief populisme: radicale democratisering van economie, politiek en maatschappij, dat de macht van de “kapitalocratie” aantast, waardoor een democratie voor burgers kan ontstaan, een systeem in democratische ruimtes.

Daarmee sluit Lievisse Adriaanse aan bij het pleidooi voor een links populisme van de Belgische Chantal Mouffe in haar boek uit 2018. In 1985 pleitte zij met Ernesto Laclau trouwens al voor zo’n populisme als alternatief voor een socialistische ideologie gebaseerd op de arbeidersklasse, om zo de hegemonie van rechts te doorbreken. In Europa zagen we dat bijvoorbeeld terug in het Spaanse Podemos, met een radicaal-progressief programma zonder te refereren aan de socialistische tradities. Ook La France Insoumise van Mélenchon met zijn nadruk op de revolutionaire republikseinse traditie is een goed voorbeeld.

Daarbij kiest Lievisse Adriaanse overigens zeer uitgesproken voor maatregelen op het niveau van de nationale staat om de macht van het kapitaal in de Europese en mondiale instellingen aan te tasten: globalisering aantasten door nationale soevereiniteit te versterken.

Daarmee komen we bij de twee belangrijkste vragen die mij na lezing van het boek opkwamen. Welke partijen, bewegingen en maatschappelijke initiatieven zouden de door Lievisse Adriaanse bepleite politiek op gang kunnen brengen? Het is een vraag die Lievisse Adriaanse helaas niet echt behandelt, hij beperkt zich tot voorbeelden uit verschillende landen. Is een strategie die uitgaat van de nationale staat geen vorm van wishful thinking? Meer dan een eeuw geleden kwamen de grootse socialistische denkers ten slotte al tot de conclusie dat het kapitalisme zo’n globaal systeem was geworden dat nationale vormen van een alternatief onmogelijk waren. Het pleidooi van Lievisse Adriaanse om te komen tot techdemocratieën geeft aan dat een puur nationale strategie in ieder geval niet toereikend kan zijn.

Verdere discussie over die vragen is van belang en het is de grote verdienste van dit boek dat een radicale progressieve democratische politiek op de agenda is gezet.

Mark Lievisse Adriaanse, Wat Iedereen aangaat. Hoe de democratie wordt afgebroken en hoe we haar vernieuwen. De Bezige Bij, 262 pagina’s, 22.99 euro.

dinsdag 7 oktober 2025

Het mooiste concert van mijn leven

 28 september 1974, Sportpaleis Ahoy, Rotterdam: op die avond trad Frank Zappa op met zijn Mothers. Ik was een van de gelukkigen die erbij was, samen met schoolgenoten van het Zwijndrechtse Develsteincollege. Het was voor mij, Zappa-fan sinds 1970, de eerste keer dat ik de maestro live zag. Er zouden in 1976, 1977 en 1979 nog drie optredens bijkomen. In mijn geheugen was het optreden in 1974 het beste, het beste optreden dat ik van mijn leven gezien heb.



Zappa toerde in 1974 met zijn volgens de meeste fans beste band, met George Duke op keyboards, Ruth Underwood op percussie, Napoleon Murphy Brock (zang en sax), bassist Tom Fowler op bas en Chester Thompson op drums. Absolute topmuzikanten, waarmee Zappa ook heel veel plezier had op het podium. Kort voor het concert was het magnifieke live-album Roxy and Elsewhere verschenen. Een week voor het optreden in Rotterdam speelde de band in Helsinki, een concert dat veel later verscheen al;s tweede deel van de serie You can’t do that on stage anymore.




Inmiddels zijn er uit deze periode nog veel meer concerten uitgebracht. Al die tijd vroeg ik me af: was het concert in Ahoy echt zo goed als in mijn herinnering? Speelde Zappa echt de sterren van de hemel, zoals recensent Tom Olde Monninkhof vond? Op de gespecialiseerde websites was ook geen informatie te vinden, mij stond bij dat de setlist afweek van de concerten in dezelfde weken.

Het antwoord op die vragen is er nu en wel definitief. Vorige week verscheen in de eindeloze reeks heruitgaven van Zappa’s oeuvre de 50-jaar editie van One Size Fits all (uit 1975). Met daarin op discs 3 en 4 het volledige concert uit Ahoy! Om maar met de deur in huis te vallen: het was inderdaad een fantastisch optreden, met een ontketende Zappa op gitaar en de band in topvorm, met Duke en Murphy Brock als gangmakers. Dat het onvoorstelbare precussiewerk van Ruth Underwood in de opnames wat minder goed doorkwam is jammer, maar niet echt storend. 

Heel opvallend is dat de setlist behoorlijk afwijkt van die van het Helsinki-concert. Geen Echidna’s Arf/Dont’t you ever wash that thing, geen Dog Breath Varitions en Uncle Meat, geen Big Swifty. Daarentegen wel een vroege uitvoering van Florentine Pogen en een geweldige, lange versie van Cosmic Debris, met jazzy keyboards van George Duke en een magistrale solo van Zappa. Het absolute hoogtepunt is het tweede deel van Dupree’s Paradise, waarin Zappa minutenlang improviseert. Dat begint met een van de allereerste aanzetten tot wat later het wonderschone Zoot Allures zou worden, een van Zappa’s signature pieces.




De herinnering kan een mens bedriegen, ik was best bang dat de registratie zou tegenvallen. Gelukkig is niets minder het geval. 

One Size fits all 50 is verkrijgbaar als 5-cd set en in andere formaten en op de streaming platforms (zie https://open.spotify.com/album/2cThXQcbWtaCzpkCaDpjoU?si=rDye-xZsRG6sg8LCDdUfXQ). De prijs is circa 70 euro.



zondag 29 juni 2025

Optimism of the will. Cycling advocacy in troubling political times

 These last months I participated in several meetings on the rise of the radical political right in Europe and the consequences for cycling advocacy. In this article I want to reflect on this development and these discussions.


In May the CEO’s of the cyclist organisations of the United Kingdom, France, Germany, Flanders and the Netherlands were in a panel discussion at the Annual General Meeting of the European Cyclists’ Federation held in Utrecht. Later that month I discussed the same trend with ECF-president Henk Swarttouw. At the Velo-city conference in Gdansk I was in a discussion with collegues for Slowakia, Italy, Sweden and Spain.






The general picture from the sessions is clear: we see a general shift towards the radical right in Europe and this is negative for cycling advocacy. We see this shift at the European, national and sometimes also local level. It is a development that interacts with more general anti-cycling sentiments in society (“bikelash”). It is further reinforced by the Rearm Europe program. Climate policies are not popular any more and are being questioned. The necessity of a mobility transition is recessing into the background.

Some of the manifestations: cuts on the cycling budgets in France; the deliberate murder of cyclist Paul by a car driver in Paris; the opposition against low traffic neighbourhoods and the 15-minutecity in Britain; a negative road law in Italy; removal of bicycle paths in some Spanish towns; opposition to the pro-cycling policies in Berlin.

The scale of this development is not the same everywhere. In the Netherlands there is no general negative political development, because cyling is an important aspect of everyday life and has remained so during the past century. Even the far-right minister and deputy-minister did nod cut back on any cycling program. Bu what we do see is a policy that is now much more pro-car than it was for a long time, the right-wing parties opposing restrictions on car parking guidelines in new neigbourhoods in the cities.

Which brings us to the cities: they are at the forefront of mobility change all over Europe, Paris being the most spectacular example. The national governments are now very right-wing in many European countries, but the cities will continue their policies to create more liveable cities by prioritisin walking, cycling, public transport and greening. And we can understand that these policies also lead to opposition when cyclists become more and more visible on the streets.

This shows us the way forward for cycling advocacy. In Gdansk I said that my basic attitude is: pessimism of the intellect, optimism of the will. I like this quotation by the great Italian Marxist Antonio Gramsci since the rise of neo-liberalism in the late seventies. We should not look like frightened rabbits in the front lights of cars towards the rise of the extreme right, but look for new chances for cycling advocacy. New chances always exist, some from unexpected quarters. I think it is very important to support the change in the cities and the politicians and movements supporting them. As the CEO’s stressed in Utrecht, it is very important to relate to the experiences of ordinary cyclists and citizens, not getting stuck in understandable frustrations of long-time activists.