zaterdag 9 mei 2026

Over identiteiten en cultureel trotskisme. Een halve eeuw politieke herinneringen, aflevering 28.

In een boekbespreking viel mijn oog op een zin waarin stond dat de Franse journalist Edwy Plenel zich beschouwt als “cultureel trotskist”. Plenel was van 1970 tot 1979 actief in de Ligue Communiste Révolutionnaire (LCR) en de voorloper daarvan, de meest invloedrijke afdeling van de door Trotski in 1938 opgerichte Vierde Internationale. Vanaf 1976 was hij journalist van het LCR-blad Rouge (dagblad van 1976 tot 1979). Daarna werkte hij bij Le Matin de Paris en Le Monde en was hij oprichter van het onafhankelijke mediabedrijf Mediapart. Hij mengt zich tot op de dag van vandaag als bekend publiek figuur bij voortduring in allerlei politieke debatten, zoals dat over de islam. 

 Als voormalig lid van de Nederlandse zusterorganisatie van de LCR vroeg ik me af wat Plenel precies bedoelde met die term “cultureel trotskist”, een term die me fascineerde. Plenel zei in een tv-interview dat hij de organisatie waarvan hij deel uitmaakte beschouwde als libertair, verdediger van de vrijheid en bestrijder van onrecht en machtspolitiek van staten en/of partijen. 




 De Belgische Flor Vandekerckhove, journalist met een soortgelijke achtergrond, haalt in een beschouwing op zijn blog De laatste vuurtorenwachter relevante citaten aan uit het boek Secrets de jeunesse van Plenel uit 2001: 

"Als ik zou moeten definiëren wat er nog van rest, zou ik mezelf graag een culturele trotskist noemen, die voor mezelf een tussenliggende, bastaard- en gemengde identiteit uitvindt, die zowel de orthodoxen als de postulaten zal mishagen. Trotskisme als ervaring en als erfgoed maakt voor altijd deel uit van mijn identiteit, niet als programma of project, maar als een gemoedstoestand, een oude kritiek op discrepantie en scherpte, op nederlagen en loyaliteit.' (2001, p.24). 

En: Het trotskisme zelf is een soort doorgang waardoor waarden en ideeën, referenties en gedragingen aan hun ontkenning ontsnapten en zichzelf behoedden voor een zeker debacle. Het is geen voltooid programma, en nog minder een volbracht recept (…) Het is eenvoudigweg een ervaring, theoretisch en praktisch. In de historische context van de twintigste eeuw was dit de vorm die een van de schakels in de oneindige en universele keten van logische en kritische opstanden aannam.’ (2001, p.251). 


 Eerlijk gezegd herken ik het nodige in deze citaten. Voor veel jonge mensen was de libertaire tak van het trotskisme, die van de naoorlogse reuzen Ernest Mandel en zeker ook Michel Pablo, een geweldige leerschool voor het denken over strategie en over maatschappelijke ontwikkelingen. Wanneer je dat cultureel trotskisme noemt moet je wel belangrijke kanttekeningen plaatsen: kritisch en onafhankelijk denken is geen monopolie van deze revolutionaire stroming, dat kon en kun je ook op andere plaatsen en in andere organisaties leren, in mijn geval ook op het Instituut voor Geschiedenis van de Utrechtse universiteit. In de tweede plaats kende dat kritisch denken ook beperkingen, bijvoorbeeld in het nogal blinde geloof in de revolutionaire rol van de arbeidersklasse. En juist dat geloof in de arbeidersklasse als revolutionaire kracht die de kapitalistische maatschappij omverwerpt onder leiding van een voorhoedepartij is doodgewoon niet houdbaar gebleken. Het is dé reden dat veel aanhangers van het trotskisme op enig moment zijn afgehaakt, ze zagen geen geloofwaardig politiek perspectief. 




Wat er dan overbleef voor die afgehaakte aanhangers heeft veel overeenkomsten met cultuurkatholicisme: hechten aan tradities en rituelen zonder de geloofsdogma’s nog langer te onderschrijven. Dat gaat dan bij mij om een melancholiek gevoel: het ontzag voor de oudere generatie die vocht tegen fascisme en stalinisme, het samen met gelijkgezinden energiek werken aan de idealen en ook het zingen van De Internationale (Du passé faisons table rase, debout esclaves, debout, debout. Le Monde va changer de base, nous ne sommes rien en soyons tout)

 Voor de mensen die wel blijven geloven in dat revolutionaire subject en idem perspectief is er domweg geen trotskisme zonder die politieke uitgangspunten – en dus ook geen culturele variant. Hoewel, zoals ik in een eerdere aflevering opmerkte noemen de aanhangers zich opvallend en ironisch genoeg inmiddels vaak antikapitalisten – een term die meer de kritiek dan de oplossing aanduidt. 

 Nog steeds zijn veel van de analyses die door aanhangers van Trotski worden gemaakt heel relevant, op het moment zelfs relevanter dan in de jaren na de val van de Muur en Fukuyama’s einde van de geschiedenis. Daarom lees ik ze graag wanneer het bijvoorbeeld over Gaza en Oekraïne gaat, ook omdat andere linkse partijen tegenwoordig heel weinig aan diepgaande kritische analyse doen. Bij deze conflicten gaat het er om zowel aan de kant van de onderdrukten te staan, als om de historische en politiek-economische achtergronden te begrijpen en te reflecteren op actiestrategieën. 

 De Franse trotskistische leider en intellectueel Daniel Bensaïd – zonder meer de meest begenadigde vertegenwoordiger van de naoorlogse aanhangers - maakte in zijn zeer interessante memoires Une lente Impatience (2004, p.15-16) een onderscheid binnen de groep voormalige leden: ‘De scheidslijn ligt eerder tussen anciens en exen. De lijn is er een van cynisme en wrok. ‘Ancien’ heeft iets liefdevols. Het woord roept zonder spijt gemeenschappelijke ervaringen op, een soort informele vriendschap. De anciens hebben er geen spijt van. Er wordt niet ontkend, geen berouw getoond. Als het hart er niet meer is, gaan ze elders verder, op andere manieren, in andere vormen. “Ex” daarentegen slaat de bladzijde droog om. (…)’. 

 Zo bezien ben ik dan een ancien, maar aarzel ik desondanks om me cultureel trotskist te noemen, hoe aanlokkelijk dat ook lijkt te klinken. Het belang erkennen van een belangrijke persoonlijke ervaring voor je identiteit, da’s één ding. Maar er is ook mijn Feyenoord-identiteit (sinds 1964), mijn Zappa-identiteit (sinds 1970), die van GroenLinks (sinds de oprichting) die van de stad Delft (waarvan ik in 2008 ereburger werd) en die van de belangenbehartiging van de fiets (sinds 2003).

PS-deze blogpost bouwt voort op eerdere afleveringen over mijn politieke herinneringen, met name 3, 5, 9, 11, 16, 18, 19, 20 en 27, zie https://wimbot.blogspot.com/2022/07/een-halve-eeuw-politieke-herinneringen.html