Bespreking van Jan Willem Stutje, Ernest Mandel. Rebel tussen Droom en Daad 1923-1995 (Houtekiet/Amsab-Isg: Antwerpen/Gent 2007).Uit: Kritiek, Jaarboek voor socialistische discussie en analyse, 2008.
Toen ik in 1977 lid werd van de Vierde Internationale zei de historicus Fritjof Tichelman tegen me: ‘We staan allemaal op de schouders van Ernest.’ Zo voelde dat ook. Binnen de organisatie van Leon Trotski, die tegenover sociaal-democratie en stalinisme het revolutionaire marxisme verdedigde, was Ernest Mandel (1923-1995) de absolute politieke en intellectuele leider. Maar ook buiten de Vierde Internationale was Mandel een gerespecteerde marxist. Daarvoor zorgden zijn welbespraaktheid, enorme eruditie, debatvaardigheid, onbekrompenheid en zijn grote productiviteit. Voor de generatie van mei 1968 ontwikkelde hij zich tot de belangrijkste Europese socialist van na de Tweede Wereldoorlog.
Jan Willem Stutje, die eerder een omvangrijke biografie schreef over de CPN-leider Paul de Groot, schreef een 475 pagina’s dikke biografie over Mandel: *Ernest Mandel. Rebel tussen droom en daad 1923-1995.*¹ Stutje schrijft in zijn voorwoord het leven en werk van Mandel ‘vrank en vrij’ te willen onderzoeken en daarbij te beoordelen ‘wat het waard is om behouden te worden, en wat als achterhaald moet worden verworpen’. Hij besteedt zowel aandacht aan het theoretische werk van Mandel als aan zijn niet aflatende inzet voor de Vierde Internationale; daarbij betrekt hij ‘persoonlijke en emotionele ervaringen van dat leven [die] historisch relevant zijn’. Zijn terechte vertrekpunt is: ‘Mandel behoorde tot het slag socialisten dat in de tweede helft van de twintigste eeuw zeldzaam was geworden. Hij was een theoreticus die zijn wetenschappelijk werk opvatte als deel van zijn revolutionaire activiteit. Een engagement dat hij vanaf zijn vroegste jeugd in het raamwerk van de door Leon Trotsky opgerichte en geïnspireerde Vierde Internationale gestalte gaf’ (p. 10).
HISTORISCH RELEVANTE PERSOONLIJKE GEGEVENS
Voor mensen die het werk van Mandel in de breedte kennen en zelf op enig moment actief waren in de Vierde Internationale, zoals ondergetekende, bevatten vooral de delen over Mandels persoonlijke leven en achtergrond de meeste nieuwe en vaak verrassende gegevens.
Zo typeerde Mandel zichzelf als een ‘Vlaamse internationalist van Joodse herkomst’. Stutje schetst een bijzonder fraai beeld van vader Henri en het milieu waarin Ernest opgroeide, met het vanzelfsprekende geloof in het socialisme en de discussies met politieke vluchtelingen uit Duitsland. Al op vijftienjarige leeftijd sloot Mandel zich aan bij de Vierde Internationale – in 1938, het jaar dat deze officieel werd opgericht. Zo komt Ernest naar voren als iemand die letterlijk opgroeide met de ervaring van 1917, van de Russische revolutie en de hoop en teleurstelling die daarmee verbonden was.
Opmerkelijk is de passage over de eerste keer dat Mandel tijdens de Tweede Wereldoorlog wist vrij te komen uit Duitse gevangenschap. Stutje maakt aannemelijk dat Ernest door zijn vader met een fors bedrag is vrijgekocht en dat Ernests versie dat hij zich uit de Duitse auto kon laten vallen en vluchten op zijn minst niet de hele waarheid was.
Stutje besteedt ruim aandacht aan Mandels vriendschappen met beroemde socialistische activisten en denkers als Roman Rosdolsky, Ernst Bloch, Rudi Dutschke, Che Guevara en Perry Anderson. Binnen het milieu van de Vierde Internationale belicht Stutje de vriendschappen en kameraadschap met Abraham Leon, Ernst Federn, Michael Raptis (Pablo), Sherry Mangan, Charles-André Udry en François Vercammen. Door de beschrijving van deze vriendschappen kleurt Stutje het beeld van het internationale linkse milieu van na de Tweede Wereldoorlog in.
Ook de vrouwen in Mandels leven komen aan bod in Stutjes biografie. Nieuw voor mij was zijn grote liefde voor Micky Traks (eind jaren veertig/begin jaren vijftig), die onbeantwoord bleef en leidde tot zelfbeklag. Tragisch is het beeld van zijn Duitse vrouw Gisela Scholz, met wie hij in 1966 trouwde. Scholz werd ook zeer actief in de Vierde Internationale, maar was depressief en overleed in 1982. Volgens Stutje was Mandel niet in staat gebleken de relatie met Gisela volwassen te maken, hij probeerde in zijn leven het irrationele en gevoelens buiten te sluiten. Ongecompliceerder – maar door de kameraden minder begrepen – was de verhouding met de lerares en pianiste Anne Spimont, met wie hij in 1983 hertrouwde en die tot zijn dood bij hem bleef.
HET WETENSCHAPPELIJKE EN THEORETISCHE WERK
Het werk van Mandel verscheen – en de verleden tijd is hier werkelijk op zijnplaats – in meer dan veertig talen, in oplagen van honderdduizenden exemplaren.
Stutje vat alle belangrijke werken op een toegankelijke en adequate manier samen en plaatst ze in de ontwikkeling van Mandels denken. Belangrijk zijn uiteraard zijn economische hoofdwerken over de marxistische economie (Traité d’Économie Marxiste) en over het kapitalisme na de Tweede Wereldoorlog (Der Spätkapitalismus), de twee grote studies die tevens zijn bekendste werken zijn. Ook de werken over de historische ontwikkeling van het economische denken van Marx (La formation de la pensée économique de Karl Marx), en over de lange golven in de economie (Long Waves of Capitalist Economy) passeren uitgebreid de revue. Gelukkig behandelt Stutje ook de buiten de Vierde Internationale minder bekende, maar minstens even belangrijke politieke werken van Mandel: de diepgravende interviews over de geschiedenis van de arbeidersbeweging en revolutionaire strategie in Revolutionary Marxism Today; de beknopte maar briljante samenvatting van Trotsky’s denken in Trotsky, A Study in the Dynamic of his Thought; de originele en uitgewerkte analyse van oorzaken en verloop van de Tweede Wereldoorlog in The meaning of the Second World War en het scherpe essay The role of the individual in history: the case of World War Two, waarin de rol van het individu in bijzondere situaties in schijnbaar onmarxistische mate benadrukt wordt. Ook het buitenbeentje in Mandels oeuvre, zijn boek over de detective¬roman (Delightful Murder), is niet aan Stutjes aandacht ontsnapt.
De aandacht die Stutje aan de verschillende titels besteedt is over de gehele linie evenwichtig. Vooral het boek en het essay over de Tweede Wereldoorlog krijgen terecht veel aandacht. In deze historische studies toont Mandel een intellectuele rijpheid die niet in al zijn werk aanwezig is. Meer aandacht had Stutje mogen geven aan Mandels studie over de concurrentie tussen de VS en Europa – nog altijd een zeer actueel thema!
DE POLITIEK VAN EN BINNEN DE VIERDE INTERNATIONALE
De uitvoerige passages die Stutje besteedt aan het werk van Mandel binnen de Vierde Internationale, met al zijn ruzies, scheuringen en curieuze randfiguren, is voor niet-ingewijde lezers waarschijnlijk het minst interessant. Uiteindelijk is de Vierde Internationale in al zijn verschijningsvormen altijd en overal een marginaal verschijnsel gebleven, zonder wezenlijke invloed op de loop der geschiedenis. De historische betekenis ervan is beperkt en is gelegen in de niet aflatende strijd tegen het stalinisme en in de steun aan de koloniale bevrijdingsstrijd.
Voor Mandel was de Vierde Internationale net als voor Trotsky een levenswerk. Stutje behandelt vooral de grote onderwerpen: het ontstaan van nieuwe stalinistische regimes in Oost-Europa, de intredep¬olitiek, Algerije, mei ’68 in Berlijn en Parijs, de opkomst en ondergang van Solidariteit in Polen, de val van de Muur en de ineenstorting van het stalinisme. Ontwikkelingen die minder eenvoudig binnen het interpretatiekader van Mandel en de Vierde Internationale passen, zoals de val van de sjah en de opkomst van Khomeiny en het islamfundamentalisme en de volkerenmoord in het Cambodja van Pol Pot, krijgen daarentegen weinig tot geen aandacht.
Opvallend afwezig in zijn beschrijving van de geschiedenis van de Vierde Internationale en de rol van Mandel daarin is de ‘turn to industry’ van het begin van de jaren tachtig. Toen duidelijk werd dat de beweging van mei ’68 over zijn hoogtepunt heen was verdedigde Mandel op aandrang van de Amerikaanse Socialist Workers Party (SWP) een politiek die erop neerkwam dat de leden die in de Europese secties actief waren – hoofdzakelijk (ex-)studenten – in de traditionele industriesectoren moesten gaan werken. Het kostte de Vierde Internationale vele leden, die niet begrepen dat hun open en kritische organisatie haar toevlucht moest zoeken tot dergelijke leninistische paardenmiddelen. Het ontbreken van deze cruciale politieke beslissing is merkwaardig, want op diverse plaatsen in het boek stelt Stutje dat Mandel vaak niet volledig voor zijn eigen opvattingen ging en zich binnen de Vierde Internationale bij een compromis in de leiding – in het geval van de ‘turn to industry’, bij de wensen van de SWP – neerlegde.
Zeer uitgesproken geeft Stutje deze kritiek op pagina 258: ‘… iedere opstandige gebeurtenis bevestigde de juistheid van het perspectief. Was de zaak in het slop, een balans werd zelden gemaakt, voor zelfkritiek hield hij zich gesloten, liever ging hij over tot de orde van de dag. Deze ongeduldige adolescentenhouding hielp hem afstand te bewaren tot sleutelproblemen, tot een realiteit, die te weerbarstig was voor analyse en prognose. Maar het hielp hem ook zich in te beelden dat hij geestverwanten kon behoeden voor demoralisatie en het gevaar af kon wenden hen kwijt te raken.’
Vanaf de jaren tachtig ging het bergafwaarts met de Vierde Internationale en Stutje schetst feitelijk een tragisch beeld van de laatste jaren van Mandel. Zijn gezondheid liet hem in de steek, binnen de Vierde Internationale nam de jongere generatie het over en kwam hij geïsoleerd te staan. Hij moest toezien hoe het stalinisme viel zonder dat er in de verste verte een links alternatief ontstond. Hiertegen hield het overoptimisme van Mandel geen stand. Het leidde tot de volgende pessimistische ontboezeming: ‘De crisis van het socialisme is voor alles de crisis van de geloofwaardigheid van het socialistisch project. Vijf generaties socialisten en drie generaties arbeiders waren overtuigd dat het socialisme mogelijk en noodzakelijk was. De huidige generatie niet meer’ (p. 308).
<
CONCLUSIE
Mandel was een bijzonder mens, die velen heeft geïnspireerd, zoals wordt aangetoond door de recensies van mensen die niet tot de Vierde Internationale hebben behoord (Bart Tromp, Hubert Smeets, Piet Piryns en Paul Depondt). Jan Willem Stutje heeft een mooie biografie … met belangstelling voor de recente geschiedenis van de socialistische beweging en het marxisme zou moeten lezen.
Als biografie is Stutjes studie zonder meer geslaagd. Jammer is wel dat het boek compositorisch te veel een aaneenschakeling van losse paragrafen en hoofdstukken is, waarin de rode draad soms verdwijnt achter details die niet altijd even relevant lijken. Minpunt is ook dat het een traditionele geschiedenis van bovenaf is, waarin de indruk die Mandel legde op ‘gewone’ activisten binnen de buiten de Vierde Internationale niet in beeld komt.
Is Stutje ook geslaagd in zijn ambitie om uit te zoeken wat waard is te behouden en wat achterhaald is in Mandels erfenis? Het antwoord daarop kan wat mij betreft niet bevestigend zijn. Aan een kritische beoordeling van het wetenschappelijke en theoretische werk komt Stutje niet echt toe. Wel constateert hij terecht dat Mandel een synthetisch denker was, die als econoom geen school heeft gemaakt (p. 320).
In zijn slotbeschouwing gaat Stutje vooral in op Mandels spreekwoordelijke roekeloze optimisme. Niet voor niets citeren alle recensenten de anekdote over zijn bezoek aan Italië vlak na de Tweede Wereldoorlog, toen Mandel dacht dat de muuropschriften ‘Viva Internazionale’ op zijn politieke beweging sloegen, terwijl het natuurlijk om de voetbalclub ging. Die anekdote is zo mooi, dat ze verzonnen had moeten worden als ze niet waar zou zijn. Stutje haalt Michaël Löwy aan, die schrijft dat Mandel roekeloze optimisme vooral gebaseerd was op een antropologisch optimisme: het gebod om in verzet te komen tegen onderdrukking en het geloof in emancipatie van de mensheid. Stutje gaat zelf een stap verder en schrijft dat in de jaren tachtig een historisch tijdperk ten einde kwam, waarin ook de sociaal-economische structuur, de samenstelling en het bewustzijn van de arbeidersklasse veranderde. Hij vraagt: ‘Ligt niet in het herhaald uitgesproken geloof in de onaangetast gebleven objectieve kracht van de arbeidersklasse de grondslag van de roekeloosheid?’ (p. 325).
Het antwoord van Stutje op die retorische gestelde vraag blijft in de slotbeschouwing zoekend en tastend, binnen de ideologische kaders van het marxisme. Een antwoord zou ondubbelzinnig zijn: ja, in dat geloof in de arbeidersklasse en de onderschatting van de dynamiek en het aanpassingsvermogen van het kapitalisme en van de verworvenheden die de arbeidersbeweging binnen het kapitalisme kon bevechten, liggen de beperkingen van Mandel en zijn traditie. Zijn betoog begon en eindigde met wat historicus Eric Hobsbawm ‘de korte twintigste eeuw’ noemde: de eeuw die begon met de Eerste Wereldoorlog, en de hoop op de bevrijding en na de nachtmerrie van nazisme en stalinisme eindigde met de val van de Oost-Europese regimes en het verdwijnen van het socialisme als reëel maatschappelijk perspectief op enige afzienbare termijn.


Geen opmerkingen:
Een reactie posten