zondag 13 februari 2022

Autoluw Delft en superieur politiek leiderschap. Een halve eeuw politieke herinneringen, aflevering 7

Op 12 april 1994 ontving ik als nieuw gemeenteraadslid van GroenLinks de vroedschapspenning van de gemeente Delft uit handen van burgemeester Van Walsum : “Deze penning is van buitengewoon groot gewicht en daar zijn allerlei rechten aan verbonden. Ik wil er slechts twee noemen. Ingeval van strijd en oproer met de buurgemeenten mag u uw toevlucht zoeken in de versterkte toren van het stadhuis. Als u last hebt van een varken op de rijweg, kunt u altijd de hulp van de politie inroepen om dat te verwijderen. Bij herhaalde problemen mag u het varken zelfs mee naar huis nemen en slachten”. Tot eind 2008 zou ik in de raad blijven en deze voorrechten genieten, waarvan negen jaar als fractievoorzitter.

De Delftse Markt en het stadhuis anno nu (foto: Audry van Vulpen)



De vroedschapspenning


Ik kwam in 1994 als nummer vier op de lijst, ik woonde pas sinds de zomer van 1993 in de stad. De zittende raadsfractie had ruzie gekregen met wethouder Corina Heuvelman en keerde niet terug. Bij de verkiezingen behielden we onze vier zetels, maar heel snel werd duidelijk dat we niet in het nieuwe college van B&W zouden terugkeren. Nog los van de positie van Corina: onze nieuwe fractie was onbekend en dus onbemind. Tot mijn verbazing liet de PvdA bij monde van Riny van der Bie (later burgemeester van Moordrecht) weten dat de sociaal-democraten niet in het college wilden zonder GroenLinks. Dat was een mooie les, om niet te zeggen ontgroening, in collegevorming en besluitvorming daarover achter de schermen. Een bewijs ook van het strategische plaatselijke bondgenootschap tussen PvdA en GroenLinks (en voorloper Links Delft), al begonnen in de jaren tachtig en voortdurend tot vandaag.

De Delftse gemeenteraad 1994-1998


Delft kreeg een rechts college, dat we de jaren daarop flink konden bekritiseren vanwege bezuinigingen op de buurthuizen en te weinig tempo in het autoluw maken van de binnenstad. Of, zoals onze fractievoorzitter Rik Grashoff het noemde, dat ging als “een slak die afremt in de bocht”. Ik hield me vooral bezig met de slecht functionerende sociale dienst, waar zo’n achthonderd aanvragen voor bijzonder bijstand letterlijk als lijken in de kast lagen te vergaan. Daardoor kwamen we tegenover wethouder Wim van Leeuwen en directeur Joke de Vries te staan.

Onze Delftse GroenLinks-fractie 1994-1998: Roel Dik (afdelingsbestuur, Wim Bot, Jurjen Oosterhuis (fractiemedewerker), Jacqueline Schoone (raadlid), Corina Heuvelman (raadslid), Ingrid Lips (commmissielid), Rik Grashoff (toen raadslid(, Marjoke Turkenburg (commissielid), Jan Breukelaar (idem)


Bij de verkiezingen in 1998 haalden wij opnieuw vier zetels, de PvdA ging van zeven naar tien zetels en nam het voortouw in de formatie aan de hand van Jan Torenstra, een authentieke sociaal-democraat die op de veiling had gewerkt en in het buurtwerk. VVD en CDA wilden samen in het college komen, maar PvdA en GroenLinks wilden geen rechts blok en hadden vanwege de tamelijk autoritaire stijl van VVD-wethouder Boelens een voorkeur voor het CDA. Toen we er niet uit kwamen haalde Torenstra geniaal een konijn uit de hoge hoed: hij creëerde een meerderheid door de studentenpartij STIP (twee zetels) als coalitiepartij te betrekken, een variant die werkelijk niemand had voorzien. Op verzoek van GroenLinks kwam er met het CDA nog een lijmpoging onder leiding van plaatselijke coryfee Klaas de Vries, maar dat hielp niet meer; het CDA wou alleen zonder de studentenpartij en dat was inmiddels een gepasseerd station.

Er kwam dus tot groot ongenoegen van VVD en CDA een progressief college van PvdA, GroenLinks, D66 en STIP. Een college met 19 stemmen in een raad van 37 leden, de krapst mogelijke meerderheid…. In de installatievergadering van de nieuwe raad debuteerde ik als fractievoorzitter en citeerde ik Macchiavelli om aan te geven waarom we niet opnieuw een zwak rechts college konden hebben: 'Na een voortreffelijke vorst kan een zwakke vorst zich nog handhaven; maar als er na een zwakke vorst weer een zwakke komt, is geen enkel rijk daartegen bestand'.

We kregen een college dat echt iets voor elkaar wilde krijgen, onder leiding van de zeer bekwame burgemeester Hein van Oorschot. Een college dat echt als eenheid opereerde, ondanks grote verschillen in bestuursstijl tussen de wethouders. Een college dat tegenover de ambtenaren zei: we willen niet horen waarom iets niet kan, we willen horen hoe het wel kan. 

Torenstra was visueel gehandicapt, beperkte zich tot de hoofdlijnen met samenvattingen van nota’s in grote letters en ging elke maandag de stad in. Grashoff en PvdA’er Dick Rensen waren inhoudelijk gedreven en stonden bekend als de Hubo-wethouders, doe-het-zelvers die berekeningen van de ambtenaren op de achterkant van een sigarendoosje overdeden. Meine Oosten van D66 beheerde de financiën, niet als een strenge rekenmeester maar als iemand die dingen mogelijk wilde maken voor zijn collega’s. Astrid Janssen van STIP moest het vak leren met vallen en opstaan, zij is inmiddels overigens wethouder voor GroenLinks in Amersfoort. Als fractievoorzitter overlegde ik veelvuldig met Rik Grashoff, vanwege de kleine meerderheid mochten er geen kikkers uit de kruiwagen springen. Dat lukte overigens heel goed, gedurende die vier jaar heeft die coalitie nooit op springen gestaan, al hadden we soms stevige discussies, bijvoorbeeld over problemen in de kinderopvang.

Het Delftse college van 1998-2002


Inhoudelijk de voornaamste wapenfeit was het realiseren van de autoluwe binnenstad. Delft kende al heel lang een verkeerscirculatieplan en was de eerste Nederlandse gemeente die een samenhangend fietsnetwerk had ontwikkeld. Er was bijna geen doorgaand verkeer door de binnenstad, maar er was wel veel bezoekersparkeren, op de grachten, maar ook op een deel van de door stadhuis en Nieuwe Kerk geflankeerde, schitterende Markt.

Rik was zo verstandig om de discussie te concentreren op de kwaliteit van de binnenstad. Het startschot was een grote conferentie in de aula van de Technische Universiteit, waar een paar honderd mensen meepraatten over een goede balans tussen wonen, werken en ontspannen. Het idee van een autoluwe binnenstad kreeg steun van veel belangrijke stakeholders, ook omdat het concept uitging van opvang van bezoekersparkeren in garages net buiten de compacte binnenstad. Ook de Kamer van Koophandel en de ondernemersvereniging konden zich in die benadering vinden. De combinatie van bezoekersgarages en autoluwe binnenstad wordt overigens door Ingrid van der Vlis in haar stadsgeschiedenis Vooruit met veel verleden onvoldoende gelegd.

In de periode tot aan de nieuwe verkiezingen leidden de plannen tot veel discussie en oppositie. De rechtse partijen vonden ze te ver gaan, de VVD kwam met het oude en kansloze plan van een garage onder de Markt, een deel van de winkeliers vreesde enorm omzetverlies, bewoners vroegen zich af of er wel genoeg parkeerplekken langs de grachten voor bewoners zouden zijn. Binnen GroenLinks kwam er nota bene oppositie van een stel (waaronder de zoon van oud-Kamerlid Cathy Ubels van de Evangelische Volkspartij) dat bij een van de nieuwe parkeergarages woonde, daar overlast vreesde en daarom tegen het verbieden van autoparkeren op de Markt was; nimby-gedrag in optima forma. Rik kon de straat niet meer opgaan zonder aangesproken te worden. En bijzonder: er was ook vanuit onze eigen achterban tot mijn teleurstelling opvallend weinig actieve steun, terwijl de tegenstanders de messen slepen.

De autoluwe Markt nu (foto: Audry van Vulpen)


Rik Grashoff toonde zijn leiderschap door geduldig op alle argumenten in te gaan, plannen op onderdelen bij te stellen en koersvast te blijven op het hoofddoel. Ik herinner me een cruciaal moment: een spannend fractieweekend in een Delfts buurthuis, waarop we ons als fractie hardop afvroegen of er nog wel genoeg draagvlak was om de plannen onverkort door te kunnen zetten. Rik wees die twijfels gedecideerd van de hand en wist ons te overtuigen. We haalden opnieuw vier zetels, Torenstra haalde de VVD als extra partij het college in en in de volgende periode kon Rik zijn plan afmaken. De Markt werd uiteindelijk autovrij en schitterend ingericht. Het verzet tegen autoluw verstomde en nu is er niemand meer die het principe ter discussie stelt. De kans is groot dat de autoluwe binnenstad er zonder het politiek leiderschap van de bovenste plank van Rik niet gekomen was.



zondag 6 februari 2022

Hoe Zwijndrecht radicaal werd opgeschud. Een halve eeuw politieke herinneringen, aflevering 6

 Samen met mijn vriend Peter Penning was ik in Zwijndrecht in 1974 een van de oprichters van de plaatselijke afdeling van de PPR, de Politieke Partij Radicalen, een van de partijen die is opgegaan in GroenLinks. Eigenlijk moet ik hier aktiecentrum zeggen, want zo heetten afdelingen in de PPR.


De oprichters, ik zit tweede van links

Op de foto uit het huis-aan-huisblad Hier Zwijndrecht van 6 maart 1974 zit ik op de bank met medeoprichter en later raadslid Cor Crans, Peter en bestuurslid Jaap van der Torre. Peter was iets eerder lid geworden dan ik. Beiden waren we het jaar daarvoor al actief geworden in het Dordtse Chili Komitee en deelden we folders over de coup in Chili uit in de Dordtse binnenstad. We herinneren ons nog vergaderingen in het Hof, de historische plaats waar de eerste Statenvergadering van de Republiek der Nederlanden had plaatsgevonden in 1572. De val van de linkse regering van Salvador Allende in Chili was voor ons een emotionele en vormende ervaring, ik zie de beelden van Achter het Nieuws over de schietpartijen rond het Moncada-paleis en het oppakken van de linkse activisten nog voor me. Chili 1973 staat voor mij en mijn politieke generatie in hetzelfde rijtje als de val van de Muur, 9/11 en de moord op Fortuyn: gebeurtenissen die het politieke en maatschappelijke klimaat ingrijpend veranderden.


De oprichting van de Zwijndrechtse PPR stond in het teken van de gemeenteraadsverkiezingen van 29 mei van dat jaar. De PPR ging daaraan meedoen, het was bij mijn weten de eerste keer dat er in Zwijndrecht een partij links van de sociaal-democratie deelnam aan de raadsverkiezingen. Mijn keuze had ook op de PSP kunnen vallen, al is het maar vanwege de iconische poster met blote vrouw en koe in het weiland, nog steeds hèt beeld van de jaren zeventig. De PSP had echter geen afdeling in Zwijndrecht en de PPR leek in de behoudende tuindersgemeente, die snel aan het groeien was door Rotterdamse import,  een veiliger en acceptabeler keus. De PPR had bovendien de wind mee en was bij de Tweede-Kamerverkiezingen van 1972 van drie naar zeven zetels gegaan onder leiding van Bas de Gaay Fortman. Deelname aan het roemruchte kabinet Den Uyl was daarvan de beloning. Op ons Develsteincollege was er rond die verkiezingen ook een bijeenkomst geweest. Die werd voorgezeten door onze weinig subtiele vriend Ger Tempel, die een schoolgenoot die zich nieuw-rechts noemde introduceerde met: “Hier komen dan de neo-fascisten en en als Ben aan de macht komt, weet ik zeker dat ik in een concentratiekamp kom’. Tijdens die campagne waren we ook een keer naar een bijeenkomst met aartsvijand Hans Wiegel in het Dordtse Kunstmin geweest, waar we in de pauze een vier pils op kosten van de heer Wiegel bestelden, die na enige aarzeling gewoon voor ons werden neergezet door de bediening.

De redactie van onze schoolkrant in 1974. Ik sta tweede van links, Peter zit naast me.

Ik herinner me dat we besprekingen hadden met de weinig radicale Zwijndrechtse PvdA, met Ger-Jan Vogelaar en PI Veenstra. Beiden zouden lang als wethouder actief zijn. Veenstra was mijn oude hoofdonderwijzer op basisschool De Rank, een typische strenge maar rechtvaardige Friese sociaal-democratische onderwijzer. Hij werd later nog dominee en toen ik hem bij een lagere-schoolreünie ontmoette in de tweede helft van de jaren negentig geestelijk raadsman.

Met de PvdA’ers hadden we het onder andere over Keerpunt 72 van PvdA, D66 en PPR en over het PPR-rapport Barsten in de groei. Wat ik niet meer wist en in het stuk in Hier Zwijndrecht staat, is dat we voor de raadsverkiezingen ook een gezamenlijk programma opstelden. We namen wel zelfstandig deel aan de gemeenteraadsverkiezingen. Mijn broer Peter en ik stonden op de lijst; Peter Penning die die zomer naar Utrecht zou verhuizen, niet. Van de campagne weet ik zelf niets meer, Peter vertelde me dat we als actiepunt het verkeersluw maken van de drukke Da Costastraat hadden en dat ons dat veel stemmen opleverde.


Bij de verkiezingen haalden we met 842 stemmen 5,27% van de stemmen en kwamen we in de gemeenteraad en de PPR en later GroenLinks zijn daar ook altijd ingebleven. In 2018 haalde GroenLinks 1056 stemmen, 6,29%. Cor Crans was vanaf 1974 gedurende lange tijd het gezicht in de raad. Cor was onderwijzer en werd ook directeur van de landelijke filmkeuring. Daar kwam hij nogal eens in conflict met de filmwereld en hij was het hartgrondig oneens met de opheffing van de keuring in 2021. Hij maakt zich nog steeds sterk voor een vak Kijkkunde in het onderwijs. Cor Crans was in 1974 net als Peter en ik pijproker en Cor blijkt dat nog steeds te zijn, hij maakt zich hard voor dit culturele erfgoed: “Laat ik voorop stellen dat pijp roken helemaal niets te maken heeft met vijf minuten ordinair paffen in een rookhol. Het is dan ook zeker geen verslaving. Het gaat mij als pijproker om een bepaalde levensstijl. Je neemt er ruim de tijd voor en je drinkt ondertussen een goed glas wijn of whisky. Noem het maar het grote genieten.” (BN-De Stem, 14-8-08).


In 1974 en 1975 groeide het plaatselijke PPR-aktiecentrum en werden er verhitte discussies gevoerd over de rol van Roel van Duijn in het Amsterdamse college en de aanleg van de metro in de Nieuwmarkt. Toen ik in 1975 geschiedenis ging studeren kwam ik in een radicalere omgeving terecht en ging de PPR me met zijn te grote nadruk op individuele gedragsverandering minder aanspreken. De ironie wil wel dat op het PPR-verkiezingsaffichte van 1974 pontificaal een oerhollandse fiets prijkte en dat ik nu sinds 2008 lobbyist ben van de Fietsersbond (opgericht in 1975) .

zondag 30 januari 2022

Listig, lastig, lustig: Dany Jacobs, een eigenzinnige intellectueel. Een halve eeuw politieke herinneringen, aflevering 5

“Om te beginnen: wat zijn tricksters? Wie het Engelse woord ‘trickster’ in een vertaalwoordenboek opzoekt, vindt ‘oplichter’ of ‘bedrieger’, maar dat is niet de precieze betekenis… Een trickster is geen doorsnee bedrieger, maar het soort figuur dat in ons taalgebied met Reinaert de Vos of Tijl Uilenspiegel geassocieerd wordt… Daarom typeer ik ze kortweg als ‘listig, lastig, lustig’… Tricksters trekken zich van geen enkele gewoonte of moraal veel aan, tenzij om ze naar hun hand te zetten. Ze maken gewoon hun eigen regels… Tricksters zijn intelligent, maar vooral ook sociaal slim en empathisch. Ze kunnen alleen maar trefzeker handelen, omdat ze sociale situaties goed kunnen inschatten en in hun voordeel benutten. Waar veel sociaal hoogbegaafden eerder sociaal onhandig zijn en daardoor niet zelden geïsoleerd raken, hoeven tricksters in de regel niet geholpen te worden.”

Dit zijn fragmenten uit het paper Tricksters bij de politie? Natuurlijk van Dany Jacobs uit 2013. Dany stuurde het me op, het was de laatste keer dat we contact hadden voor zijn overlijden aan kanker op 11 februari 2015. Het was voor mij wel meteen duidelijk waarom hij het stuk aan me stuurde: Dany was zelf het schoolvoorbeeld van een trickster.

Ik ontmoette Dany rond 1980 in het uiterst-linkse wereldje. Hij was vanuit Vlaanderen naar Nijmegen gekomen. Daar werd hij onderzoeker aan de universiteit, in de vakgroep waar ook Joop Roebroek en Göran Therborn actief waren. Het boek Nieuwe sociale bewegingen in Vlaanderen en Nederland (1983) was daarvan een resultaat. Dany was actief geweest in de Wereldscholen, een vormingsorganisatie (1970-1983), en was ook enige tijd lid geweest van de Revolutionaire Arbeiders Liga, de Vlaamse pendant van onze Nederlandse Internationale Kommunistenbond. Dany nam mij en mijn makker Hugo van Hamersveld nog een keer mee naar een bijeenkomst van de Wereldscholen in Gent, waar hij een lezing gaf over nieuwe sociale bewegingen en ons het in Nederland toen nog onbekende witbier van Hoegaarden leerde kennen. We waren beiden sterk beïnvloed door de ontelbare werken van onze voorman, de econoom Ernest Mandel en door het Britse tijdschrift New Left Review van hoofdredacteur Perry Anderson. Dany volgde en las alles, had altijd een eigen oordeel en daagde mij (“Heer Bot”) en anderen bovendien altijd uit een mening echt te onderbouwen. Hij publiceerde veel in het Vlaams Marxistisch Tijdschrift en (het zeer interessante) Toestanden. Dany beschikte net als ik over een groot archief met krantenknipsels, met het grote verschil dat het bij hem ook perfect geordend was.

Dany en ik moesten niets hebben van de turn to industry die Mandel en zijn volgelingen veordonneerden binnen hun organisaties, een wending waardoor de meestal academisch gevormde leden banen binnen de industrie moesten gaan zoeken, in de ijdele hoop dat daar de grote sociale botsingen zouden plaatsvinden. In Nederland verlieten in 1979 en in 1983 groepjes leden die het niet met deze turn eens waren de organisatie, hetzelfde gebeurde in die jaren in heel Europa. Zelf volgde ik vanuit misplaatste loyaliteit (en een heftige verliefdheid) pas in 1984. De opzeggers bleven elkaar zien en bespraken wat ze moesten doen: een nieuw partijtje vormen, een losser platform oprichten of alleen een tijdschrift uitgeven?

Dany intervenieerde in die debatten met pleidooien om kritisch na te denken over de hele marxistische traditie en zette ons op het spoor van het baanbrekende werk The Economics of Feasibe Socialism van de econoom Alec Nove, een originele schets  over de mogelijke combinatie van planning en markt.

De discussie over hoe het verder moest werd door een trickster-actie van Dany beslecht. Bij een lang artikel in het discussiebulletin van de groep plaatste hij een paar gewaagde illustraties uit het Vlaamse satirische blad De Zwijger, die door een deel van de groep als seksistisch werden beoordeeld en leidden tot het vertrek van een Rotterdams drietal. Daaronder was Alie Kuiper, toen al en nu nog steeds actief tegen seksuele intimidatie van vrouwen op het werk. Verhitte discussies over de plaatjes volgden in ellenlange bijdragen, de mensen die zich beledigd voelden vielen Dany aan, hij verdedigde zich, sommigen vonden dat er op zijn minst een open discussie over gevoerd moest kunnen worden. Zelf mengde ik me niet actief in die discussie, maar ik stond wel op het middenstandpunt. Ik zou zelf de plaatjes nooit hebben durven plaatsen, maar was niet voor censuur en stond en sta op het libertaire standpunt gestaan dat vrijheid voor de kunsten heilig is.





Dany maakte in een van zijn bijdragen zijn bedoelingen duidelijk, hij wilde een tekst ‘opfleuren’; zichzelf amuseren; via de reacties zowel de mensen als de onuitgesproken opvattingen en functioneringsregels van het ‘Platform’ beter leren kennen; zien wat mogelijk was in de lijn van bladen als De Zwijger en Charlie-Hebdo; een discussie over socialisme en democratie op het vlak van thema’s als bevoogding uitlokken.

Duidelijk is dat het Dany hier niet ging om het vinden van een werkbaar compromis in een kleine groep. Zijn benadering stond recht tegenover die van de mensen die een principieel inhoudelijk standpunt wjlden vastleggen. Het spring in het oog: het was een discussie die sterk lijkt op de huidige over #MeToo en woke-opvattingen. 

Dany slaagde in ieder geval glansrijk in zijn missie, het debat was zo op scherp gezet dat er geen sprake meer kon zijn van iets dat op een politiek partijtje leek, het zou blijven bij het uitgeven van een blad, Links, tijdschrift voor socialistische discussie en analyse. Dany en ik waren allebei redacteur van dat blad, waarin vanaf 1985 vier keer per jaar inderdaad een open en kritisch discussieklimaat bestond. Dany en ik kruisten bijvoorbeeld de degens over de houding tegenover linkse hervormingspolitiek, waar hij positiever tegenover begon te staan dan ik. Dany schreef erin ook een van de eerste stukken in Nederland over de tweederde samenleving en tweedeling, Meer dan een paar honderd lezers trokken we niet, het produceren was een hele klus en na de winter van 1989 stopten we de publicatie. In het laatste nummer staat Dany al niet meer genoemd bij de redacteuren. 



Vanaf de jaren negentig had ik niet veel contact meer met Dany, ik werkte bij Uitgeverij Sua in Amsterdam en Dany richtte zich op zijn wetenschappelijke onderzoekswerk. Hij werd een van de grootste experts op het gebied van economische innovatie, schreef daarover meerdere boeken (waaronder zijn strategische oratie over strategie; het bloed kruipt waar het niet gaan kan) en overleed als hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam en lector creatieve economie aan de KHU in Utrecht. 



Zijn overlijden kwam als een schok en ik ging naar de drukbezochte afscheidsbijeenkomst in Zutphen. Zijn partner Marjanne Dirksen noemde  in zijn overlijdensadvertentie veel herkenbare eigenschappen van Dany. Ik houd het op zijn eigen samenvatting van de trickster: onvergetelijke Dany was lastig, listig en lustig.

zondag 23 januari 2022

Een Führer en een charlatan in het hoofdwartier van een imperium. Een halve eeuw politieke herinneringen, aflvering 4

 Zondag 13 september 1998, in een busje gaat een delegatie van de Delftse gemeenteraad naar het Duitse Gütersloh. Het is de hoofdstad van het grote Bertelsmann-mediaimperium. Onder het concern valt sinds 1977 ook een stichting, die de belangen van de familie behartigt, de meeste aandelen heeft en zich verder inhoudelijk bezig houdt met openbaar bestuur en politiek. De gemeente Delft is onderdeel van Cities of the Future, een netwerk van steden die bekend staan om hun innovatie en bestuurlijke vernieuwing. Naast Delft waren daarvan onder meer lid Tilburg, Christchurch uit Nieuw-Zeeland, het Amerikaanse Phoenix, Quebec, Braintree uit Engeland, het Deense Farum, Reijkjavik en enkele Duitse steden, waaronder Essen. Onze delegatie bestond naast mij uit Christiaan Baljé (VVD), Anita Vlekke (PvdA), Bhipin Taneja (D66) en ambtenaar en chauffeur Kees Kruijff. In Gütersloh vond in het hoofdkantoor van Bertelsmann een conferentie van het netwerk plaats.


Nadat we op de avond van aankomst na een diner in de stad bij terugkomst in het hotel Anita Vlekke hadden moeten beschermen tegen een opdringerige dronken Duitse afgevaardigde, zaten we de volgende ochtend in de congreszaal. Voordat het programma echt begon kregen we van de dagvoorzitter een dringend verzoek: “Zo meteen komt Reinhard Mohn (de oude, net teruggetreden baas, WB) u welkom heten. We willen u vragen uit respect voor de verdiensten van Herr Mohn allemaal op te staan wanneer hij binnenkomt.” Wij keken elkaar stomverbaasd aan en deden als beschaafde gasten vervolgens uiteraard maar gedwee wat ons werd gevraagd. Achteraf konden we er niet over uit hoe levend de Duitse autoritaire traditie nog altijd was. De voorspelbare flauwe grappen waren dan ook niet van de lucht.

Van de conferentie herinner ik me inhoudelijk een interessante bijdrage uit Christchurch over output en outcome om de maatschappelijke resultaten van beleid in kaart te kunnen brengen. Controversiëler was een onvergetelijk verhaal van de burgemeester van Farum, Peter Brixtofte van de rechtse Venstre-partij. Hij was sinds 1986 als King Peter de baas in het stadje van nog geen 20.000 inwoners en hield een voor het gezelschap van lokale vernieuwers politiek totaal incorrect verhaal over participatie. Titel The road from satisfsaction to dissatisfaction through participation. Casus: de bouw van een sportcomplex in de stad. Door een uitgebreid inspraakproces waren de tegenstanders wakker geschud, de voorstanders waren het niet eens over de locatie, kortom iedereen was uiteindelijk ontevreden.  Brixtofte vond dat je beter zonder moeilijk gedoe van interactieve processen gewoon zelf een besluit moest nemen als politiek verantwoordelijke. 

In de wandelgangen viel ons op dat de delegatie uit Farum, waaronder ook sociaal-democraten, voortdurend als een soort groupies om Brixtofte heen bleven zwemmen. In 2002 bleek wel waarom: hij had Farum bestuurd op basis van een onversneden cliëntelisme. Ouderen van 67 jaar en ouder mochten elk jaar gratis op vakantie naar Turkije of de Canarische eilanden. Brixtofte ging daar zelf regelmatig langs voor ” kwaliteitscontroles”.  Jongeren kregen een gratis computer, kinderopvang was gratis. Nu bleek dat een en ander was gefinancierd met gemeentelijke aandelen en uitgestelde leningen. Hij verkocht stadhuis, waterzuiveringsinstallatie, kinderopvangcentra en scholen en leaste ze vervolgens terug. De plaatselijke voetbalclub werd op een duistere manier gesponsord. Op kosten van de gemeente dronk Brixtofte (“ik ben een liefhebber van wijn en vrouwen”, dat hadden we inderdaad wel gezien) flessen rode wijn van 1200 dollar per dag.

CC BY-SA 3.0, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=314448

Brixtoftes positie was onhoudbaar en in 2002 werd hij als burgemeester vervangen. Uiteindelijk zat hij ook nog bijna drie jaar gevangen. In 2002 werd het paradepaardje Farum stilzwijgend ook uit het netwerk Cities for the Future gezet. Het netwerk zelf werd in 2006 definitief opgeheven. Op https://www.bertelsmann-stiftung.de/, vol met succesverhalen, is nu niets meer over het netwerk en het gevallen uithangbord te vinden.

zondag 16 januari 2022

Een toneelstukje op een revolutionair congres. Een halve eeuw politieke herinneringen, aflevering 3

“Kameraden, ik heb het moeilijk met abortus, ik vind dat het ongeboren leven beschermd moet worden.” Aan het woord in de jeugdherberg in Elst op het vijfde congres van de Internationale Kommunistenbond (Nederlandse afdeling van de Vierde Internationale) in 1979 was Joop. Hij een van de weinige oudere leden en ook van de weinigen met een echte arbeidersachtergrond, katholiek bovendien. Het antwoord op zijn emotionele betoog liet niet lang op zich wachten en kwam van Rik Hancké, de Vlaamse artistiek leider van de Eindhovense Toneelwerkgroep Proloog. Met al zijn theatrale gaven bepleitte hij hartstochtelijk het zelfbeschikkingsrecht van de vrouw, Baas in eigen buik. Daarbij ging hij verbaal frontaal in de aanval tegen Joop.



Hoewel ik het inhoudelijk met Hancké eens was – hij verdedigde het officiële politiek-correcte standpunt van onze organisatie van enkele honderden aanhangers– en de vrouwelijke kameraden van `Proloog ongetwijfeld met hem in hun nopjes waren,  voelde ik me op dat moment verdomd ongemakkelijk bij dit optreden voor de Bühne. Was het nou echt nodig om een oudere kameraad die van zijn hart geen moordkuil maakte zo aan te vallen?

Het was een harde stijl die in het uiterst-linkse milieu van die tijd niet ongewoon was en zeker niet in het vormingstoneel van Proloog. Tijdens een voorstelling in het Ridderkerkse jongerencentrum De Singel had ik een lid van de groep al eens snoeihard horen reageren op een jongere die vroeg of Jezus niet progressief was. Antwoord:  het christendom en het geloof waren fout, punt uit. Onder leiding van Hancké had Proloog zich na felle discussies meer en en meer in uiterst-linkse richting ontwikkeld, de Eindhovense afdeling van de IKB bestond voor een groot deel uit toneelspelers van Proloog. De groep was onder vuur komen  te liggen van Kamerlid Pia van Veenendaal van DS’70, een rechtse afsplitsing van de PvdA. Zij had Proloog in december 1974 in 'De Telegraaf' beschuldigd van onjuiste declaraties, misbruik van subsidies, banden met terroristische groeperingen en indoctrinatie. Proloog won een kort geding van de politica, met Pieter Herman Bakker Schut als advocaat, de man die ook de Rote Armee Fraktion verdedigde. 

Tot het Eindhovense milieu behoorde ook de popgroep Bots van zanger Hans Sanders, die vaak optrad op de manifestaties ter bevordering van de zogenaamde strijdcultuur. De Bots zijn nu bijna vergeten, maar hun muziek op bijvoorbeeld het album Voor God en vaderland  staat nog als een huis. Sanders zorgde bij die optredens voor reuring door tijdens het nummer Ik ben een man, ik ben een jager opzichtig zijn ballen vast te pakken en zo de feministisch-socialistes op de kast te jagen. Die strijdcultuurbeweging wist destijds trouwens duizenden mensen op de been te brengen. In onze Utrechtse IKB-afdeling was Willibord Keesen actief in deze beweging, hij werd later zelf onafhankelijk en tot op de dag van vandaag succesvol theaterregisseur. 

Toneelwerkgroep Proloog in 1977-1978, met Rik Hancké staand vijfde van rechts en Jan Cornelis Nooteboom staand achter tweede van links

Hancké woont inmiddels al weer lange tijd in Vlaanderen, hij heeft het hart nog op de goede plaats, maar gelooft niet meer in de revolutie en kijkt met gemengde gevoelens terug op zijn trotskistische periode: “Dat is wat het begrip revolutie oplevert, het is één van de grootste illusies, en daardoor ook desillusies, van de linkse beweging. En nog beseft niet iedereen dat. Dankzij de Franse revolutie, Russische revolutie en de Cubaanse revolutie zijn prachtige dingen gerealiseerd, maar door dat begrip revolutie, het verlangen om de andere kant van de macht in handen te nemen, het anders te doen, verschrompelt het tot een dictatuur, tot iets wat wij niet willen. En toch waren wij er voor.” En: “Die stelligheid was zeker aanwezig. Ook al zeiden we dat niet met zoveel woorden en waren we daar niet van overtuigd, toch straalden we uit dat we de wijsheid in pacht hadden.” (citaten uit: https://www.kunsten.be/nu-in-de-kunsten/rik-hancke-over-de-vlaamse-podiumkunsten-in-de-jaren-70/

De balans die Hancké hier opmaakt is uiteraard niet uniek, het is die van een hele politieke generatie; de mate waarin mensen nog geloven in de idealen van die tijd loopt sterk uiteen, maar het optimistische geloof in de socialistische toekomst en de stelligheid van de toen ingenomen standpunten bestaan vrijwel niet meer. 

Bij Proloog denk ik verder vooral aan Jan Cornelis Nooteboom, een van de andere leiders van Proloog, naar buiten toe fel en onbuigzaam, maar in het persoonlijk contact een innemende persoonlijkheid. Met hem zat ik in de landelijke scholingscommissie en organiseerde ik een paar keer een succesvolle zomerschool. Hij werkte na zijn periode bij Proloog 23 jaar lang op de Amsterdamse Theaterschool als afdelingshoofd en adjunct-directeur. Hij was ook actief in het bewaren van de nalatenschap van zijn oom, de vermaarde cineast Joris Ivens. Hij overleed in 2013; aan hem bewaar ik positieve herinneringen.

Of Rik Hancké zich nu ook het voorval met Joop nog herinnert weet ik niet, het was op dat congres overigens ook niet meer dan een voetnoot. Op die jaarlijkse congressen, die een heel weekend duurden, waren de meeste leden aanwezig en werden gewichtige lange resoluties besproken over de toestand in Nederland en de wereld. Van die dag op dat congres in 1979 herinner ik me de spetterende feestavond met muziek en veel bier. Laat op de avond doken enkele Nijmeegse makkers op uit de coulissen op met een groot rood spandoek, met daarop de tekst Tegen gedwongen heteroseksualiteit. Die libertaire inborst behoorde ook tot ons DNA, een puriteinse sekte waren we zeker niet.

PS-Veel meer informatie over het Nederlandse trotskisme en de activiteiten van de IKB is te vinden in het boek van Ron Blom en Bart van der Steen, “Een banier waar geen smet op rust”. De geschiedenis van het trotskisme in Nederland 1938-heden”, Uitgeverij Aspekt 2015. Daarin kom ik zelf ook uitgebreid aan het woord. Zie voor Proloog https://www.toneelwerkgroepproloog.nl/

zondag 9 januari 2022

Ouderwetse sociaal-democraten. Een halve eeuw politieke herinneringen, aflevering 2

Elke keer als ik me zit op te winden over het toeslagenschandaal en de manier waarop mensen aan de onderkant van de samenleving als criminelen worden bejegend, moet ik denken aan twee ouderwetse sociaal-democraten: Jaap Bandringa en Ger Ebbeling.

Ik leerde hen kennen toen ik van 1994 tot 1998 lid was van de bezwaarschriftencommisie op het gebied van sociale zaken van de gemeente Delft. Daaraan nam ik deel als gemeenteraadslid, een mogelijkheid die overigens sinds de dualisering van het gemeentebestuur helaas niet meer bestaat. Helaas, omdat het voor een volksvertegenwoordiger een uitstekende manier was om te zien hoe de uitvoering van het beleid in de praktijk werkt. De commissie behandelde op basis van een grondige en onafhankelijke ambtelijke voorbereiding bezwaarschriften van burgers die op hun bijstandsuitkering waren gekort of hem voor een bepaalde periode of permanent kwijt waren. Dat laatste gebeurde bijvoorbeeld wanneer iemand stiekem samen woonde om een eigen uitkering te houden, dat werd dan door de sociale dienst aangetoond na soms wel honderden observaties door de sociale recherche.

Tijdens de hoorzittingen konden de betreffende burgers hun bezwaren toelichten, terwijl de ambtenaren van de sociale dienst verweer konden voeren. Bandringa en Ebbeling waren afwisselend voorzitter van de commissie tijdens die zittingen en bereidden de zaken nauwgezet voor. Van Bandringa, jurist bij de Centrale Raad van Beroep, herinner ik me dat hij een sessie met een Vietnamese cliënt met een spraakgebrek tot een goed einde wist te brengen. Die probeerde in onverstaanbaar Engels uit te leggen waarom hij een baan in de Westlandse kassen had geweigerd, hetgeen hem op een sanctie van drie maanden was komen te staan. Terwijl ik en de andere leden van de commissie hun lach met veel moeite moesten inhouden, wist Bandringa het gesprek op basis van educated guesses gaande te houden en af te ronden. Van Ebbeling, oud-ambtenaar en teleurgesteld in de PvdA door de bezuinigingen op de WAO en het afschudden van de ideologische veren door Wim Kok, weet ik nog dat hij een punkster tot de orde riep. Die had verveeld onderuitgezakt gezegd naar het buitenland te willen om van de sociale dienst af te zijn, want dat leek de SS wel. Waarop Ebbeling haar streng toesprak: “Mevrouw, mag ik u erop wijzen dat elke vergelijking van de sociale dienst met de Duitse bezetters van ons land volstrekt, maar dan ook volstrekt ongepast is”.

Wat ik van Bandringa en Ebbeling leerde was dat je nooit alleen naar de letter van de wet moest kijken, maar altijd zorgvuldig de individuele omstandigheden in ogenschouw moet nemen. Vooral Bandringa kende daarbij vanwege zijn werk de jurisprudentie van a tot z, hij was op de hoogte van alle uitspraken.

Door de specifieke omstandigheden kan een sanctie soms onterecht en soms te hard zijn, denk bijvoorbeeld aan iemand die door een scheiding moet verhuizen en daardoor een formulier heeft gemist en niet heeft ingevuld. In zo’n geval adviseerde onze commissie aan het College van B & W om de burger in het gelijk te stellen en de sanctie in te trekken. Het College deed dat vervolgens meestal wel, soms ook niet.

Wanneer ik politici, ambtenaren en juristen hoor zeggen dat de wetgeving hen geen andere keus liet dan het opleggen van keiharde maatregelen bij de Toeslagenwet en de Participatiewet kan ik daarom witheet worden. Toetsing op basis van individuele omstandigheden en proportionaliteit is gewoon een onvervreemdbaar uitgangspunt van onze rechtsstaat. Bandringa en Ebbeling, beiden sociaal-democraat, wisten dat en pasten dat toe in de praktijk. Ze leven allebei niet meer, maar ik weet zeker dat ze zich in hun graf omdraaien wanneer ze zouden horen hoe diep Nederland gezakt is en hoe slachtoffers van de aangetaste verzorgingsstaat tot daders zijn gemaakt.


maandag 3 januari 2022

ATOOMPROTEST IN DE DUITSE HERFST. Een halve eeuw politieke herinneringen, aflevering 1

Op dit blog zal ik de komende tijd wekelijks herinneringen plaatsen aan een halve eeuw politieke activiteiten, aan gebeurtenissen en/of personen. De volgorde is tamelijk willekeurig en niet-chronologisch. Reacties zijn uiteraard welkom, op deze plaats of via wbot@ziggo.nl. Hieronder de eerste herinnering.


Zaterdag 24 september 1977, in Utrecht verzamelen zich honderden anti-kernenergieactivisten  om met bussen naar het Duitse Kalkar te gaan voor een grote demonstratie tegen de snelle kweekreactor, de Schnelle Brüder. Bij het instappen van de bus worden plastic windmolentjes uitgedeeld door Arthur van der Zoo de Jong, een Utrechts kopstuk van de Politieke Partij Radicalen, zoals altijd gekleed in net pak met stropdas. 


Alles wat links was in Nederland ging die dag naar de Duitse plaats net over de grens met Nijmegen, de strijd tegen kernenergie was een onderwerp waarover een brede linkse samenwerking tot stand was gekomen; eerst in het Anti-Kalkar Komitee, later in het Landelijk Energie Komitee (moderne spelling was verplicht). De stickers met Kernenergie Nee Bedankt, die je nu nog wel eens ziet achterop een oude Lelijke Eend, waren overal in het straatbeeld aanwezig, op ramen, fietsen en auto’s. 



Die dag zouden er in Kalkar 50.000 mensen demonstreren tegen de bouw van de kernreactor. In Duitsland was het verzet tegen kernenergie groeiende en waren demonstraties in Brokdorf en Grohnde uit de hand gelopen. Toen de bussen in de buurt van Kalkar waren aangekomen werd duidelijk dat we echt in het buitenland waren. Er hingen helicopters in de lucht en overal was zwaar bewapende politie op de been, Duitse bussen en treinen werden doorzocht op wapens. Toen we uitstapten met onze plastic molentjes kwam er over een weiland een groep van honderden Duitse radicalen met Palestijnensjaals en stevige laarzen aangemarcheerd.



Uiteindelijk verliep de demonstratie toch vreedzaam en rustig. De sfeer gaf wel aan hoe gespannen de situatie in de Bondsrepubliek toen was. Het waren de jaren waarin de Rote Armee Fraktion het politieke klimaat beheerste, met een spiraal van terroristische acties en harde repressie door de staat, inclusief beroepsverboden. De film Die bleierne Zeit van Margarethe von Trotta geeft de inderdaad loodzware sfeer van de tijd weer. 



De demonstratie in Kalkar vond plaats uitgerekend midden in de “Duitse herfst”, vlak na de moord op de bankier Ponto en de ontvoering van werkgeversvoorzitter Schleyer en vlak voor de kaping van een Lufthansa-vliegtuig door de Palestijnse PLFP bij Mogadishu en de dood van de RAF-leiders in de Stammheim-gevangenis. In de straat waar ik toen zelf woonde, het Utrechtse Veemarktplein, vond twee dagen vóór de demonstratie in Kalkar het incident plaats bij Budget Autoverhuur; daarbij schoot RAF-lid Knut Folkerts de politieagent Arie Kranenburg dood, voor hij uiteindelijk zelf werd gearresteerd.

Zo was de sinistere Duitse herfst heel dichtbij gekomen in het gezapige Nederland. Tegenwoordig is het terrein van de nooit afgebouwde snelle kweekreactor in Kalkar een pretpark, Kernwasser Wunderland, waar ik met mijn gezin en schoonfamilie een keer een weekend heb doorgebracht. En terwijl Duitsland na de ramp bij Fukushima de kernenergie voorgoed vaarwel heeft gezegd gaat Nederland onder Rutte-4 de bouw van nieuwe kerncentrales onderzoeken.